|
There are no translations available.
Katholieke Universiteit Leuven
Bron www. hiva.be
Rapport en Perstekst Jongeren in Vlaanderen: gemeten en geteld 12- tot 18-jarigen over hun leefwereld en toekomst Hans De Witte, Jeannine Hooge & Lode Walgrave (red.), Universitaire Pers, Leuven, 2000, 358 p. Inleiding Op een studiedag op 6 december 2000 in het Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen in Schaarbeek worden de resultaten voorgesteld van een interdisciplinair onderzoek bij een representatief staal leerlingen uit het (gewoon voltijds) secundair onderwijs in Vlaanderen. Nagenoeg 5 000 jongeren tussen 12 en 18 jaar vulden gedurende het schooljaar 1998-1999 een vragenlijst in op de schoolbanken. Daarin werd gepeild naar hun beleving van een groot aantal levensdomeinen, zoals hun welbevinden en zelfbeleving, de opvoedingsstijl van hun ouders, hun beleving van de school, vrije tijd en vrienden, werk en werkloosheid, religie, delinquentie, en naar hun opvattingen over de samenleving en politiek. Dit onderzoek is opgevat als een platformonderzoek: het biedt een referentiekader voor iedereen die wil weten hoe het met ‘de’ jeugd in Vlaanderen gesteld is. Deze basisinformatie is relevant voor het brede publiek, voor beleidsmakers, jeugdwerkers, onderzoekers, de media én voor allen in onze samenleving die begaan zijn met jongeren. Het onderzoek werd uitgevoerd door een samenwerkingsverband van vijf onderzoeksgroepen van de K.U.Leuven, en werd gefinancierd door de Vlaamse Gemeenschap (Impulsprogramma Humane Wetenschappen). Identiteit en welbevinden Meer informatie bij: prof. dr. Luc Goossens, Centrum voor ontwikkelingspsychologie, Tiensestraat 102, 3000 Leuven, tel. (016) 32 61 49 of bij Jeannine Hooge, tel. (016) 39 62 35. De adolescentieperiode houdt veel veranderingen voor de jongere in. De jongeren evolueren van kind naar volwassene in deze periode. Dit impliceert niet alleen lichamelijke veranderingen, maar ook veranderingen op sociaal vlak. Deze veranderingen roepen vragen en twijfels op bij de jongeren en hebben wellicht ook invloed op de identiteitsontwikkeling en het algemeen welbevinden van de jongere. Uit ons onderzoek blijkt dat de adolescentie al bij al een periode van relatieve stabiliteit is, waarin de jongere goed kan omgaan met al deze veranderingen. Perstekst – Jongeren in Vlaanderen: gemeten en geteld 2 De identiteit lijkt bij de jongeren redelijk goed ontwikkeld te zijn. De jongeren hebben een redelijk duidelijk beeld van zichzelf en ook een zeker gevoel van zelfwaarde. De meeste jongeren zijn eerder tevreden met zichzelf. Dit vertaalt zich in een positief zelfbeeld. Maar er zijn ook jongeren die meer problemen ervaren met de overgang naar de volwassenheid. Zij hebben niet zo een goed zicht op hun identiteit en schatten hun zelfwaarde minder hoog in. De grote tendens is echter dat de meeste jongeren het goed doen op vlak van identiteit en zelfwaardering. De meeste jongeren voelen zich ook goed. Zelfs drie op vijf jongeren geven aan zich heel goed te voelen. Er zijn dan ook weinig jongeren die zich depressief voelen. Dit hangt wellicht samen met de sociale steun vanuit hun omgeving. Weinig jongeren voelen zich eenzaam. Drie op vier jongeren wijzen de uitspraak ‘ik voel me eenzaam’ af. Dat het grootste deel van de jongeren zich goed voelt, uit zich ook in de ontkenning het afgelopen jaar aan zelfdoding gedacht te hebben. Toch heeft ongeveer 15% van de jongeren er wél af en toe tot vaak aan gedacht. Uit onze studie kunnen we echter de beweegredenen tot die suïcidale gedachten niet achterhalen. De veranderingen die de jongeren doormaken in hun adolescentieperiode wegen algemeen gezien toch niet zo zwaar door. De Vlaamse jongeren blijken goed te kunnen omgaan met al deze veranderingen. Dit projecteert zich eveneens in hun positieve houding tegenover de toekomst. Het algemene beeld dat we krijgen van de jongeren in Vlaanderen, zijn jongeren die al bij al een vrij probleemloze periode meemaken. De meeste jongeren zijn blijkbaar goed in staat om te gaan met de ontwikkelingstaken waar ze voorstaan. De groep jongeren die zich niet goed voelt, is echter niet te verwaarlozen. Om een goed beeld van deze jongeren te krijgen is een diepgaandere studie nodig, wat echter het niveau van deze studie overstijgt maar waarvoor deze studie wel het vergelijkingsmateriaal kan leveren. Opvoedingservaringen in het gezin Meer informatie bij: prof. dr. Lieve Vandemeulebroecke, Centrum voor gezinspedagogiek, Vesaliusstraat 2, 3000 Leuven, tel. (016) 32 62 32. Ouders vinden het opvoeden van tieners vaak moeilijk. In het onderzoek Jongeren in Vlaanderen: gemeten en geteld krijgen de ouders feedback over hun opvoedingsaanpak: we gingen na hoe de jongeren het opvoedingsgedrag van hun ouders beleven. We weten uit de literatuur dat een eerste belangrijk type opvoedingsgedrag bestaat uit het bieden van warmte, aanvaarding en begrip aan kinderen - in ons geval jongeren - en het open staan voor hun signalen. Samengevat spreekt men over ‘ondersteuning’. Als indicator voor de beleefde ouderlijke ondersteuning, namen wij de mate waarin de jongere aangeeft vanwege de ouders responsiviteit, met andere woorden ontvankelijkheid te ervaren voor behoeften, signalen en gesteldheid van zichzelf. We stelden vast dat een grote meerderheid van de Vlaamse jongeren vindt dat hun moeder hen goed aanvoelt en hen veel ondersteuning biedt. Vaders ‘scoren’ hier gemiddeld lager: bij hun vader vinden de jongeren in mindere mate een luisterend oor en minder hulp bij grote en kleine problemen. Jongens ervaren echter meer responsiviteit vanwege hun vader dan meisjes. Na scheiding van de ouders ervaren de jongeren de meeste responsiviteit vanwege de ouder bij wie ze wonen. Jongeren die na de scheiding bij hun vader wonen, ervaren bij hem opmerkelijk veel responsiviteit. In geval van afwisselend wonen bij vader en moeder (co-ouderschap) worden beide ouders als erg responsief ervaren. Naast ondersteuning vormt ‘controle’ een andere belangrijke dimensie van de opvoeding. Hiermee wordt het opvoedingsgedrag bedoeld waarmee de ouders proberen het gedrag van hun kind te beïnvloeden. Ze kunnen Perstekst – Jongeren in Vlaanderen: gemeten en geteld 3 dit op minder of meer democratische wijze doen. Wij hebben onderzocht in welke mate jongeren vanwege hun ouders autonomie krijgen, dit wil zeggen in welke mate ze vertrouwen ervaren in de omgang met hun ouders, en ruimte en aanmoedigingen krijgen om zelfstandig te zijn en zelf verantwoordelijkheid te nemen voor hun doen en laten. Vaders en moeders scoren hier ongeveer gelijk op het midden van de gebruikte schaal. Gemiddeld genomen ervaren de jongeren dus niet erg veel autonomie, maar ook niet extreem weinig. Jongens ervaren meer autonomie dan meisjes, en dit vooral bij hun vader. Kinderen uit gescheiden gezinnen krijgen meer autonomie dan kinderen uit intacte gezinnen. Naast ondersteuning en controle vormt ook het opvolgen van de jongere (ook wel supervisie of monitoring genoemd) een relevant aspect van de opvoeding. Het gaat hier niet om controle, maar om betrokkenheid op het leven van de jongere, het volgen van waar de jongere mee bezig is. Volgens de jongeren volgen hun moeders in vrij hoge mate waar ze mee bezig zijn, hun vaders doen dit in iets mindere mate. Moeders weten meer af van hun dochters dan van hun zonen, en vaders volgen blijkbaar hun zonen beter op. Kinderen uit gescheiden gezinnen ervaren gemiddeld minder opvolging dan kinderen uit volledige gezinnen. De kinderen die na echtscheiding bij hun vader wonen, ervaren echter een opvallend grote mate van opvolging vanwege hun vader. Globaal genomen ervaren de jongeren hun opvoeding als positief. Het ervaren van ondersteuning in de opvoeding speelt een belangrijke rol voor het welbevinden van de jongeren. Het ervaren van (veel) betrokkenheid of opvolging vanwege de ouders hangt sterk samen met minder normoverschrijdend gedrag van de jongere. School Meer informatie bij: prof. dr. Jan Van Damme, Onderzoekscentrum voor secundair en hoger onderwijs, Vesaliusstraat 2, 3000 Leuven, tel. (016) 32 62 45. De eerste algemene indruk over de beleving van het schoolse milieu en over het gedrag op school van de gemiddelde leerling van het secundair onderwijs is niet negatief. Het welbevinden op school, de kijk op de eigen schoolse capaciteiten, de relatie met de leerkrachten en de inzet lijken gemiddeld genomen eerder bevredigend. En probleemgedrag blijkt niet kenmerkend voor de modale leerling. Toch krijgen we een aantal minder positieve indicaties. Zo is er op elk punt een minderheidsgroep die duidelijk negatief scoort. Zo werd duidelijk dat leraren niet echt identificatiefiguren voor jongeren zijn en wellicht ook niet als leerlingbegeleiders in de ruime zin ervaren worden. Ook werd duidelijk dat de school niet zozeer als waardevol gezien wordt in functie van de eigen intellectuele ontwikkeling maar wel in functie van het latere diploma en van de contacten met leeftijdsgenoten. Bij gebrek aan vastliggende normen moet het belang van zo’n algemene trends gerelativeerd worden. Vooral verschillen in beleving en in gedrag zijn belangrijk, onder meer verschillen in functie van de tijd (die slechts in longitudinaal onderzoek zichtbaar kunnen worden). Een eerste belangrijk verschil is dit tussen jongens en meisjes, op één uitzondering na in het voordeel van de meisjes. Meisjes gaan liever naar school, zetten zich meer in, vertonen minder probleemgedrag, enz. Alleen hun kijk op de eigen capaciteiten is minder positief dan die van jongens. Dit laatste verhindert niet dat meer meisjes dan jongens van plan zijn naar het hoger onderwijs te gaan. Perstekst – Jongeren in Vlaanderen: gemeten en geteld 4 Een tweede belangrijk verschil is dit tussen de eerste graad en tussen de bovenbouw, systematisch in het voordeel van de eerste graad. Hoewel de persoonlijke ontwikkelingen die jongeren doormaken, daar ongetwijfeld mede voor verantwoordelijk zijn, toch rijst de vraag of de school in de hogere leerjaren niet beter op die ontwikkelingen afgestemd kan worden. Al vinden we een aantal verschillen naargelang het socio-economisch milieu, de nationaliteit en de taal die in de het huisgezin gesproken wordt, toch blijken die verschillen eerder beperkt te zijn. Iets belangrijker blijken de verschillen die verband houden met de onderwijspositie - en meer in het bijzonder met de onderwijsvorm - en met aspecten van de schoolloopbaan zoals het veranderd zijn van school of het opgelopen hebben van vertraging. De verschillen tussen de onderwijsvormen liggen herhaaldelijk in de lijn van de verwachtingen - ASO positiever, BSO minder positief - maar soms gaan de vaststellingen enigszins in een andere richting. Zo blijkt het gevoel de leertaken minder goed aan te kunnen vooral kenmerkend te zijn voor TSO/KSOleerlingen. De ASO- en de KSO-leerlingen ervaren de school meer als nuttig omwille van de vrienden op school, terwijl dit minder geldt voor de BSO-leerlingen. Wel in de lijn van de verwachtingen ligt de vaststelling dat de KSO-leerlingen het minst materieel ingesteld zijn wat betreft hun kijk op het nut van de school. Van school veranderd zijn of zittenblijver zijn of geweest zijn gaat eveneens herhaaldelijk samen met een minder gunstige beleving of minder gunstig gedrag. Reeds bij de eerste verkenning krijgen we aanwijzingen dat alleen het herhaaldelijk blijven zitten een problematisch loopbaankenmerk is. In het tweede onderdeel staat vooral de onderlinge samenhang tussen de belevings- en gedragsaspecten centraal. In de eerste plaats wordt duidelijk dat minder welbevinden niet kenmerkend is voor wie ‘afstroomt’ tussen onderwijsvormen, wel voor wie (herhaaldelijk) blijft zitten. Dit ‘effect’ van zittenblijven is echter grotendeels functie van de relatie met de leerkrachten en van de mate waarin men de school nuttig acht als plaats voor het ontmoeten van leeftijdsgenoten. Ook los van het al dan niet blijven zitten, hangt het welbevinden van leerlingen op school vooral met die laatstvermelde twee aspecten - en dus met de sociale relaties op school - samen. Ook met de mate waarin men de school ervaart als een intellectueel stimulerende omgeving en de mate waarin men een positieve kijk heeft op de eigen schoolse capaciteiten hangt het welbevinden samen. In de tweede plaats blijkt dat de eigen kijk op de schoolse capaciteiten geen verband vertoont met het zittenblijven of met het opgelopen hebben van vertraging, wel met het afstromen tussen onderwijsvormen. Misschien komt het op het eerste zicht verrassend over dat wie afstroomt, zijn eigen capaciteiten hoger inschat. De voor de hand liggende verklaring is dat men zichzelf vergelijkt met zijn nieuwe medeleerlingen en dat die in de regel een minder sterke groep vormen dan de klasgenoten van vóór het afstromen. Los van de vermelde aspecten van de schoolloopbaan hangt een positieve kijk op de eigen capaciteiten vooral samen met een goede relatie met de leerkrachten, met het zich goed voelen op school in het algemeen en met het ervaren van de school als nuttig voor later (cf. diplomagerichtheid). In de derde plaats besteedden we aandacht aan het probleemgedrag op school. Zo’n gedrag blijkt niet kenmerkend voor wie afstroomt tussen onderwijsvormen, wel voor wie herhaaldelijk bleef zitten. (Wat oorzaak en wat gevolg is, kan in ons soort onderzoek niet vastgesteld worden.) Probleemgedrag op school blijkt ook samen te gaan met een slechte relatie met de leerkrachten en met weinig inzet. Leerlingen die probleemgedrag stellen, ervaren de school als nuttig voor de relaties met leeftijdsgenoten en voor het verwerven van geld en macht. Ondanks het laatstvermelde ervaren zij de school niet als nuttig met het oog op het verwerven van een diploma. Zelfs dit prestatiegerichte perspectief ontbreekt bij hen. Perstekst – Jongeren in Vlaanderen: gemeten en geteld 5 In een poging om de individuele jongere zelf als het ware ‘in zijn geheel’ tot zijn recht te laten komen, zijn we - in de vierde plaats - op zoek gegaan naar een aantal types van leerlingen. Die types werden gevormd op basis van een selectie van de geregistreerde belevings- en gedragsaspecten. We komen tot drie groepen leerlingen zonder problemen - in totaal 60% van de leerlingen - en drie groepen leerlingen met problemen: één groep die vooral gedragsmatige problemen vertoont - een gebrek aan inzet en ander, ‘echt’ probleemgedrag - die 16% van de leerlingen omvat, één groep leerlingen met negatieve belevingen - zich niet goed voelen op school en het gevoel hebben de leertaken niet aan te kunnen - die 15% van de leerlingen omvat, en een derde beperkte groep leerlingen (7 à 8%) die beide soorten negatieve kenmerken vertoont. Die invalshoek maakt dus enerzijds duidelijk dat er in ons secundair onderwijs ongeveer 40% leerlingen met problemen zijn en anderzijds dat zich niet goed voelen en zich niet positief gedragen niet bij elk individu samengaan. Het laatstvermelde geldt ook voor de positieve pool. Zo zijn er leerlingen die zich niet echt goed voelen op school, maar zich hard inzetten, en andersom. Bij het verkennen van de relaties tussen de types van leerlingen en een reeks variabelen, krijgen we de indruk dat het om een grotendeels zinvolle indeling van de leerlingen gaat. Enkele opvallende vaststellingen zijn dat in het kunstsecundair onderwijs sommige probleemloze types relatief sterk en sommige types met problemen relatief weinig sterk vertegenwoordigd zijn, en dat in de groep met gedragsmatige problemen de school in sterke mate gezien wordt als een ontmoetingsplaats met andere jongeren. We hebben de types van leerlingen ook vergeleken met betrekking tot een aantal niet schoolse variabelen. Zo werd duidelijk dat de groep die zich op school niet goed voelt en waarbij dit niet in sterke mate tot uiting komt in hun gedrag, algemene probleemkenmerken vertoont: weinig vrienden, veel gevoelens van eenzaamheid en depressie, en een lage zelfwaardering. In die zin komt de groep met gedragsmatige problemen als ‘positiever’ over. Vooral werd duidelijk dat het opvoedingsgedrag thuis verschilt tussen de leerlingentypes. Grosso modo komt een goede opvolging en een hoge responsiviteit thuis als positief over terwijl ‘het gestimuleerd worden tot autonomie’ relatief veel voorkomt bij de groepen leerlingen met gedragsmatig probleemgedrag op school. In het laatste onderdeel bekeken we - in de vijfde plaats - het (gebrek aan) welbevinden en het probleemgedrag op school samen én in de context van schoolse en niet-schoolse variabelen. Daarbij blijkt dat welbevinden op school op zich beschouwd vooral samenhangt met de sociale relaties op school. Of op school probleemgedrag voorkomt, blijkt daarentegen - eveneens op zich beschouwd - ook in sterke mate verband te houden met een kenmerk van het opvoedingsgedrag thuis, namelijk de mate waarin de jongere thuis opgevolgd wordt. Uit de afsluitende padanalyse, waarin de verschillende variabelen samen bekeken worden, blijkt: __ dat een goede relatie met de leerkrachten gepaard gaat met meer welbevinden en minder probleemgedrag; __ dat een grote autonomie thuis gepaard gaat met minder welbevinden en meer probleemgedrag op school; __ dat in het algemeen minder welbevinden leidt tot meer probleemgedrag, maar dat dit mede afhangt van o.a. de mate van eenzaamheid, en de omvang van de vriendenkring: hoe meer gevoelens van eenzaamheid én - paradoxaal genoeg - hoe meer ‘vrienden’, des te meer probleemgedrag. Perstekst – Jongeren in Vlaanderen: gemeten en geteld 6 Vrienden en vrije tijd Meer informatie bij: Eef Goedseels, tel. (016) 32 52 70, prof. dr. Lode Walgrave, tel. (016) 32 52 37, dr. Nicole Vettenburg, tel. (016) 32 52 37, Onderzoeksgroep criminologie, Hooverplein 10, 3000 Leuven. Algemeen Vrienden zijn voor jongeren heel belangrijk. Jongeren zeggen dan ook heel wat vrienden te hebben, die ze dagelijks of bijna dagelijks ontmoeten. Heel wat tijd wordt samen op de schoolbanken doorgebracht, maar vrienden ontmoeten elkaar ook thuis, op café, in de sportvereniging of gewoon op straat. Heel wat jongeren brengen hun vrije tijd vooral thuis door of even vaak thuis als buitenshuis. Het zijn vooral vrienden met wie jongeren hun vrije tijd doorbrengen. Maar ook broers, zussen, ouders of zelfs huisdieren zijn belangrijke vrijetijdsgezellen. Hoewel het niet altijd de meest geliefde activiteit is, toch brengen heel wat jongeren veel van hun vrije tijd voor de televisie door. Vrienden bezoeken, sporten en computeren behoren eveneens tot de meest geliefde vrijetijdsactiviteiten. Ook het beluisteren en maken van muziek is bij veel jongeren zeer in trek. Muziek blijkt dan ook één van de hoofdredenen waarom jongeren zich tot een welbepaalde stijl aangetrokken voelen. Vooral house en techno zijn zeer populair onder de jongeren. Naast deze eerder individuele vormen van vrijetijdsbesteding zien we toch dat heel wat jongeren in Vlaanderen lid zijn van een vereniging. Vooral de sportvereniging is zeer populair. De meeste jongeren beschikken over eigen geld dat ze vrij kunnen besteden. Geld wordt in de eerst plaats gespaard. Er wordt ook heel wat geld uitgegeven aan muziek, uitgaan, snoep, kleding en uiterlijk. Slechts een minderheid van de jongeren leest dagelijks een krant. Ook het journaal op TV spreekt jongeren niet echt aan. Vooral films en feuilletons genieten de voorkeur. Tot slot zegt meer dan de helft van de jongeren in Vlaanderen het afgelopen jaar nooit een sigaret gerookt te hebben. Een meerderheid van de jongeren dronk het afgelopen jaar nooit meer dan zes pinten op een avond. Een kleine minderheid deed dit wekelijks of dagelijks. Door heel weinig jongeren werden pep- en/of slaapmiddelen genomen. Een egale vrijetijdscultuur? Beleven alle jongeren hun vrije tijd op dezelfde manier? Of zijn er met betrekking tot de vrijetijdsbesteding van jongeren duidelijke klasse- en seksegebonden patronen te onderkennen? Uit ander onderzoek is reeds gebleken dat er aanzienlijke verschillen bestaan tussen jongens en meisjes wat hun vrijetijdsbesteding betreft. Ook wij komen in ons onderzoek tot gelijkaardige resultaten. Zo zeggen meer jongens dan meisjes hun vrije tijd buitenshuis en in groep door te brengen. Meer meisjes daarentegen brengen hun vrije tijd thuis door. Jongens zeggen zich in hun vrije tijd meer bezig te houden met sporten en computeren. Meer meisjes lezen een boek, nemen deel aan culturele activiteiten of gaan winkelen. Jongeren van niet-Belgische afkomst verschillen niet zo heel erg van jongeren van Belgische afkomst wat hun vrijetijdsbesteding betreft. Perstekst – Jongeren in Vlaanderen: gemeten en geteld 7 Jongeren uit verschillende onderwijsvormen blijken hun vrije tijd op een andere manier door te brengen. Meer jongeren van het A/ASO nemen deel aan het georganiseerde verenigingsleven en zeggen hun vrije tijd vooral thuis door te brengen. Meer jongeren van het B/BSO en TSO zeggen hun vrije tijd vooral buitenshuis door te brengen. Naargelang het opleidingsniveau van de vader en/of de moeder zijn er duidelijk andere vrijetijdspatronen te onderkennen. Naarmate het opleidingsniveau stijgt, stijgt de participatie aan het verenigingsleven, maar daalt het café- en dancingbezoek. We zouden kunnen besluiten dat ondanks een aantal algemene tendensen als individualisering, commercialisering en mediatisering van de vrije tijd, er toch moeilijk kan gesproken worden van een ‘egale’ vrijetijdscultuur bij onze Vlaamse jeugd. Met betrekking tot de vrijetijdsbesteding blijven er met andere woorden een aantal klasse- en seksegebonden patronen bestaan. Jongens en meisjes over arbeid en gezin Meer informatie bij: Jan Vandoorne, Hoger Instituut voor de Arbeid, E. Van Evenstraat 2e, 3000 Leuven, tel. (016) 32 33 18 of bij prof. dr. Hans De Witte, Afdeling arbeids- en organisatiepsychologie, Tiensestraat 102, 3000 Leuven, tel. (016) 32 60 60. In het onderzoek werd specifiek ingegaan op het thema ‘werk’. Jongeren mogen dan wel nog niet actief zijn op de arbeidsmarkt, toch is hun visie op arbeid relevant omdat het hun toekomstkeuzes kan bepalen. Het klassieke rollenpatroon houdt in dat de mannen uit huis gaan werken en dat vrouwen thuis blijven om voor het huishouden en de kinderen te zorgen. De laatste decennia is de arbeidsmarktparticipatie van de vrouwen echter stelselmatig gestegen. Toch participeren vrouwen nog steeds veel minder aan de arbeidsmarkt dan mannen. Deze kloof is het meest opvallend in gezinnen met kinderen. Jongeren zijn de werkenden van morgen. Houdt het klassieke rollenpatroon stand, of groeien jongens en meisjes naar elkaar toe op het vlak van arbeid en gezin? Hoe denken zij over arbeid? Hoe belangrijk vinden ze een carrière? Hoe denken ze over de taakverdeling in het huishouden? Zijn ze van plan om te blijven werken als ze later kinderen hebben? Allemaal vragen waarop we in het onderzoek een antwoord zochten. Meer dan zeven op de tien jongeren stelt over het algemeen dat een vaste baan een redelijk belangrijke doelstelling is in hun leven. Voor bijna 20% is een vaste baan een uitgesproken centraal levensmotief. Zo vindt 56% dat carrière maken belangrijk is (14% niet akkoord) en is 60% ervan overtuigd dat als je iets van je leven wilt maken, je aan een vaste baan moet zien te komen (13% niet akkoord). Voor een deel (35%) is dat werken nog een plicht tegenover de samenleving (25% niet akkoord). Iedereen die in staat is om te gaan werken, moet gaan werken (53% akkoord, 17% niet akkoord). Want mensen die niet willen werken, worden lui en futloos (62% akkoord, 16% niet akkoord). Toch betekent dat niet dat werk altijd in de eerste plaats moet komen, als dit betekent dat men daardoor minder vrije tijd heeft (44% niet akkoord, 21% akkoord). In tegenstelling tot wat dikwijls werd gevreesd, ondersteunen jongeren dus nog steeds de arbeidssamenleving. Het traditionele arbeidsethos heeft dus ook bij jongeren nog steeds een zeker draagvlak. Jongens en meisjes verschillen daarin niet sterk van elkaar, alhoewel het hebben van een vaste job voor jongens toch nog iets belangrijker is dan voor meisjes. Meisjes hebben dus bijna evenveel aspiraties op de arbeidsmarkt. Grotere verschillen zijn er tussen de diverse onderwijsvormen: voor leerlingen uit het beroepssecundair onderwijs is het hebben van een vaste job veel belangrijker dan voor leerlingen uit het TSO of ASO. Dat heeft enerzijds te maken met het feit dat jongeren uit het beroepsonderwijs sowieso iets traditioneler denken, maar waarschijnlijk ook met het feit dat zij al iets dichter bij de arbeidsmarkt staan dan de jongeren uit het technisch en algemeen secundair, die meestal nog een lange schoolloopbaan voor de boeg hebben. Perstekst – Jongeren in Vlaanderen: gemeten en geteld 8 Hoe staan jongeren tegenover de taakverdeling tussen man en vrouw in het huishouden en de verzorging van kinderen? Over het algemeen is meer dan driekwart van de jongeren niet langer overtuigd van een klassiek rollenpatroon. Zo stelt 85% dat kinderverzorging evengoed de verantwoordelijkheid is van de man als van de vrouw (5% niet akkoord); en vindt 65% dat man en vrouw het huishoudelijk werk gelijk onder elkaar moeten verdelen (10% niet akkoord). Toch is nog 44% van mening dat het verzorgen van een gezin voor een vrouw belangrijker is dan buitenshuis werken (21% niet akkoord) en eveneens 44% dat een vrouw geschikter is om kleine kinderen op te voeden dan een man (31% niet akkoord). Niet verwonderlijk verschillen jongens en meisjes nogal van mening op dat vlak. Gemiddeld denken meisjes veel minder in termen van een klassiek rollenpatroon, alhoewel ook jongens, gemiddeld gezien, niet als traditioneel op het vlak van de rolverdeling tussen man en vrouw kunnen gekenmerkt worden. Wat zijn de jongeren van plan als ze later kinderen hebben? Zullen ze voltijds blijven werken of verkiezen ze om deeltijds te werken of om thuis te blijven om voor de kinderen te zorgen? Meer dan de helft van de jongeren (52%) wil voltijds blijven werken, 39% verkiest deeltijds werk en 3,6% wil thuis blijven. De verschillen tussen jongens en meisjes vallen ook hier op. Meer dan zeven op tien jongens wil voltijds blijven werken, terwijl dit bij meisjes slechts 34% is. Meer dan de helft van de meisjes (55%) verkiest deeltijds werk, bij de jongens is dit 22%. Thuis blijven om voor de kinderen te zorgen is voor beide niet zo aantrekkelijk (5,5% meisjes en 1,6% jongens). Jongens zijn dus veel minder dan meisjes van plan om hun voltijdse job op te zeggen om wat meer voor de kinderen te kunnen zorgen. Bij meisjes houdt de intentie om deeltijds te gaan werken verband met een klassiekere rolopvatting en een minder centraal stellen van een vaste job. De intentie om deeltijds te gaan werken daalt evenwel met de leeftijd. Bij de 12-jarigen is nog 53% van plan om deeltijds te gaan werken, terwijl dit bij de 18-jarigen gedaald is tot 30%. Jongeren: links of rechts? Meer informatie bij: Jan Vandoorne, Hoger Instituut voor de Arbeid, E. Van Evenstraat 2e, 3000 Leuven, tel. (016) 32 33 18 of bij prof. dr. Hans De Witte, Afdeling arbeids- en organisatiepsychologie, Tiensestraat 102, 3000 Leuven, tel. (016) 32 60 60. Naar de stem van de jongeren wordt niet altijd geluisterd als het over maatschappelijke kwesties gaat, zelfs al gaat het over zaken die hen direct aanbelangen. Nochtans maken ze integraal deel uit van deze samenleving en zijn ze de volwassenen van morgen. In het onderzoek werd daarom ook uitgebreid stilgestaan bij de houding die ze tegenover maatschappelijke kwesties innemen. Politieke denkbeelden worden nogal dikwijls verengd tot de klassieke tweedeling links-rechts. Toch dient men een onderscheid te maken tussen een culturele dimensie enerzijds en een economische dimensie anderzijds. Iemand die ‘rechts’ is op cultureel vlak is niet noodzakelijk ‘rechts’ op economisch vlak. De links-rechts dimensie op het economische vlak verwijst naar de conflicten tussen arbeid en kapitaal. Het heeft betrekking op sociale ongelijkheid en de rol die de overheid daarin dient te vervullen. Gemiddeld zijn Vlaamse scholieren eerder ‘links’ te noemen op sociaal-economisch vlak. Zo vindt 72% het onrechtvaardig dat mensen met een hoog inkomen veel meer voorrechten hebben dan mensen met een laag inkomen (10% niet akkoord) en vindt 67% dat de verschillen in aanzien tussen de rijke en arme mensen kleiner zouden moeten zijn dan nu (9% niet akkoord). Minder instemming is er echter over de vraag hoe dit dan moet gebeuren. 46% vindt dat de overheid de werkgevers moeten verplichten om meer werk te scheppen (17% niet akkoord) en 42% vindt dat arbeiders nog steeds moeten strijden om een gelijkwaardige positie in de maatschappij te krijgen (20% niet akkoord). Over het algemeen zijn Vlaamse jongeren het er dus in principe Perstekst – Jongeren in Vlaanderen: gemeten en geteld 9 over eens dat sociale ongelijkheid onrechtvaardig is, maar over het middel waarop dit moet bestreden worden is er minder overeenstemming. Naar politieke ideeën op het sociaal-culturele vlak verwijst men dikwijls in termen van ‘conservatief’ versus ‘progressief’. Conservatief zijn dan degenen die het belang van gezag en discipline benadrukken, die vrouwenemancipatie, niet-traditionele gezinsvormen en abortus afwijzen en negatief staan tegenover vreemdelingen. De mate waarin dit ideeëngoed leeft bij Vlaamse jongeren werd in het onderzoek nauwgezet nagegaan. We geven kort de belangrijkste resultaten. Niet-traditionele gezinsvormen. Meer dan zeven op de tien respondenten vindt dat de traditionele gezinsvorm (twee getrouwde ouders met hun eigen kinderen) nog altijd het beste is voor de kinderen (9% niet akkoord). Dit houdt niet noodzakelijk in dat de andere gezinsvormen niet aanvaardbaar zouden zijn. Slechts één op zeven jongeren vindt dat je gehuwd moet zijn om een goed gezin te hebben (64% niet akkoord). Ongeveer vier op tien jongeren vindt dat kinderen in eenoudergezinnen en in homogezinnen even goed kunnen opgevoed worden (24% respectievelijk 28% gaat niet akkoord). Hertrouwen na een echtscheiding (68% akkoord, 12% niet akkoord) en een homohuwelijk (54% akkoord, 24% niet akkoord) zijn door een meerderheid van de jongeren aanvaardbaar. Over het algemeen staan jongeren dus tolerant ten opzichte van de zogenaamde alternatieve gezinsvormen. Deze tolerantie is hoger bij meisjes, bij de oudere leerlingen en bij ongelovige of vrijzinnige jongeren. Abortus en euthanasie. Iets meer dan de helft van de jongeren is van mening dat een vrouw een abortus moet kunnen laten uitvoeren als zij dit wenst (19% niet akkoord) en vindt dat mensen het recht hebben door een arts een einde te laten maken aan hun leven als zij dit willen (23% niet akkoord). Gezag en discipline. Ideeën die de nadruk leggen op het belang van gezag en discipline worden ook wel eens autoritaire denkbeelden genoemd. Deze autoritaire denkbeelden komen bij Vlaamse jongeren redelijk sterk naar voor. Twee op drie jongeren is van mening dat jongeren op de eerste plaats zelfbeheersing en vastberadenheid moeten leren (7,5% is niet akkoord), 52% vindt dat in een groep in de eerste plaats orde moet heersen (15% is niet akkoord) en 48% vindt dat gehoorzaamheid en eerbied voor gezag het belangrijkste is wat kinderen moeten leren (18% is niet akkoord). Negatieve houding ten aanzien van vreemdelingen. Autoritaire houdingen hangen samen met negatieve houdingen ten aanzien van vreemdelingen. Alhoewel Vlaamse jongeren als relatief autoritair te omschrijven zijn, staan ze over het algemeen niet zo negatief tegenover vreemdelingen. 40% is niet akkoord met de stelling dat werkloze Turken zonder meer terug naar hun land moeten (29% is wel akkoord). 47,5% is niet akkoord met de stelling dat buitenlanders een bedreiging vormen voor onze cultuur (23% is wel akkoord). Ongeveer 38% van de jongeren vindt dat er te weinig begrip is voor vreemdelingen in ons land (29% niet akkoord) en 45% vindt dat de aanwezigheid van verschillende culturen onze samenleving verrijkt (22% niet akkoord). Daar worden blijkbaar geen rechten aan verbonden: slechts 25% vindt dat vreemdelingen stemrecht moeten krijgen bij de gemeenteraadsverkiezingen (50% niet akkoord). Gemiddeld nemen jongeren een eerder ‘neutrale’ houding in. Maar achter een gemiddelde verschuilen zich grote verschillen: 12% van de jongeren heeft een uitgesproken negatieve houding tegenover vreemdelingen, 16% neemt een uitgesproken positieve houding in. Jongens nemen een veel negatievere houding tegenover vreemdelingen in dan meisjes. Jongens blijken ook op de andere maatschappelijke houdingen, systematisch conservatiever en minder tolerant dan meisjes. Deze vaststelling komt ook naar voor in een onderzoek bij Nederlandse jongeren. Een geslachtsspecifieke identiteitsontwikkeling zou aan de basis daarvan liggen. Bij de ontwikkeling van hun mannelijke seksuele identiteit zijn jongens, gedurende een beperkte periode in de adolescentie, gevoeliger voor machoachtige Perstekst – Jongeren in Vlaanderen: gemeten en geteld 10 opvattingen, waarbij ook een intolerante houding past. Daarnaast is er ook een belangrijke samenhang met onderwijsvorm. Leerlingen uit het algemeen secundair zijn toleranter in vergelijking tot leerlingen uit het technisch en beroeps. Leerlingen uit het ASO blijken over het algemeen minder traditioneel te denken dan leerlingen uit het TSO en BSO. Vier verklaringen kunnen daarvoor aangereikt worden. In vergelijking tot het beroepsvoorbereidende onderwijs, biedt het algemeen vormend onderwijs een grotere en gevarieerdere hoeveelheid kennis en gedragsmodellen aan. Daarnaast wordt in dergelijk onderwijs meer aandacht geschonken aan de ontwikkeling en oefening van cognitieve capaciteiten. Beide factoren vergroten de openheid voor het ‘vreemde’. Een derde verklaring ligt in het feit dat algemeen vormend onderwijs een betere toegang verschaft tot hogere maatschappelijke ladders. Een hogere maatschappelijke positie laat mensen toe meer ‘hulpbronnen’ op te bouwen waardoor ze minder te vrezen hebben van ‘concurrentie’. Specifiek voor het onderwijs is ook de waardensocialisatie. Uit ander onderzoek blijkt dat er in beroepsscholen een sterker conformistisch klimaat heerst en dat er meer nadruk ligt op discipline. Dergelijke waarden hangen samen met een afwijzende houding ten aanzien van minderheden. Het middel om zijn maatschappelijke ideeën te vertolken is de politiek. Hebben jongeren echter wel belangstelling voor de politiek? En hoe staan ze tegenover de diverse politieke partijen? Vorig onderzoek toonde al veelvuldig aan dat de modale Vlaming niet erg wakker ligt van de politiek. Bij jongeren krijgen we geen ander beeld. Bijna 12% vertoont veel of heel veel belangstelling voor de politiek, bijna 40% stelt dat ze geen interesse hebben. Dat wil niet zeggen dat ze de verschillende politieke partijen niet kennen. Meer dan zeven op tien jongeren kent alle politieke partijen. Bijna alle politieke partijen werken de laatste jaren aan partijvernieuwing en veelal betekent dit in eerste instantie verjonging. Hoe ‘aantrekkelijk’ of ‘afstotelijk’ zijn de diverse partijen voor jongeren? Agalev draagt de grootste voorkeur weg bij jongeren (iets meer dan 30% zegt voorstander te zijn). Tegenover de traditionele partijen (CVP, VLD, SP) staan jongeren meer neutraal. De VU kan het minst de harten bekoren; de partij heeft relatief gezien de minste voorstanders (15%) maar ook de minste tegenstanders (14%). Wat niet van het Vlaams Blok kan gezegd worden. Deze partij brengt bij de jongeren een echte polarisatie teweeg. Deze extreemrechtse partij kent 21% voorstanders, maar eveneens 51,5% tegenstanders. Het zijn in grote mate de negatieve houdingen tegenover vreemdelingen die de voorkeur voor het Vlaams Blok bepalen. Delinquentie Meer informatie bij: Eef Goedseels, tel. (016) 32 52 70, prof. dr. Lode Walgrave, tel. (016) 32 52 37, dr. Nicole Vettenburg, tel. (016) 32 52 37, Onderzoeksgroep criminologie, Hooverplein 10, 3000 Leuven. Hoe zit het met het delinquent gedrag van onze Vlaamse jeugd? In de vragenlijst werden er vragen gesteld met betrekking tot een achttal delicten waaronder vandalisme, diefstal, druggebruik, drugverkoop, het dragen van een wapen, slagen (met verwondingen), zwartrijden en weglopen. Ongeveer de helft van de jongeren pleegde het afgelopen jaar geen enkel van de bevraagde delicten. Zwartrijden, diefstal en vandalisme komen het meest voor onder de Vlaamse jeugd. Uiteraard zeggen deze cijfers niks over de ernst en de frequentie van de gepleegde delicten. Toch bleef het plegen van een delict bij een grote meerderheid beperkt tot slechts één enkele keer. De meeste van de delicten door jongeren gepleegd werden nooit ontdekt en het minst nog door de politie. Als ze al ontdekt werden, was dit meer door onmiddellijke betrokkenen als een lief, vrienden, leerkrachten of ouders. Jongeren die het afgelopen jaar een delict pleegden, zijn zelf vaker slachtoffer van een delict dan zij die beweren geen enkel delict gepleegd te hebben. Perstekst – Jongeren in Vlaanderen: gemeten en geteld 11 Meer dan 80% van de respondenten heeft nog nooit problemen met de politie gehad. Jongeren blijken het meest bang te zijn om slachtoffer te worden van diefstal in tegenstelling tot vandalisme waar ze het minst bang voor zijn. Naar achtergrondkenmerken zien we dat jongens over het algemeen meer delicten plegen dan meisjes. Enkel voor weglopen werden er geen significante verschillen gevonden. Naast geslacht blijkt ook leeftijd een belangrijke factor bij het stellen van delinquent gedrag. Voor bijna alle delicten geldt dat het percentage plegers stijgt tot de leeftijd van 16 jaar. Met uitzondering van druggebruik zien we voor alle andere delicten een daling vanaf 17 jaar. Dit bevestigt deels ons vermoeden dat het delinquent gedrag afneemt naar het einde van de adolescentiefase. Jongeren uit het A/ASO plegen beduidend minder delicten dan jongeren uit het B/BSO en het TSO. Naar afkomst en opleidingsniveau van de vader en/of de moeder werden er weinig significante verschillen gevonden. Wanneer we de groep ‘veel’ plegers (die het afgelopen jaar vier of meer delicten pleegden) vergelijken met de anderen, dan blijken deze jongeren met betrekking tot alle delicten hogere scores te hebben. Van de ’veel’ plegers werden meer delicten door de politie ontdekt. Deze jongeren geven ook aan meer problemen met de politie gehad te hebben. Jongeren die het afgelopen jaar meer dan vier delicten pleegden voelen zich over het algemeen minder goed in hun vel. Zij hebben minder het gevoel door hun ouders begrepen en geholpen te worden. Op school doen deze jongeren het blijkbaar ook niet zo goed. Zij zeggen hun vrije tijd voornamelijk buitenshuis door te brengen. Op de vraag of de jeugdcriminaliteit nu effectief stijgt, kunnen we op basis van hoger vermelde gegevens geen bevredigend antwoord geven. Een dergelijk grootschalig platformonderzoek bevat ontzaglijk veel interessante en boeiende gegevens, maar geeft geen uitsluitsels over mogelijke evoluties in de tijd. Aangezien in Vlaanderen geen traditie van breed opgevat jeugdonderzoek bestaat, zoals dat in onze buurlanden het geval is, zijn vergelijkingen met eerder gevoerde onderzoeken praktisch uitgesloten. Of bepaalde scores nu hoog of laag zijn, is daarom zeer moeilijk te stellen. Om die reden zou het bijzonder interessant zijn mocht een groep jongeren uit de steekproef over enkele jaren opnieuw bevraagd worden. Desondanks, mogen we toch voorzichtig stellen dat de resultaten van het onderzoek zeker wijzen in de goede richting. Over het algemeen blijken de meeste jongeren zich vrij conform te gedragen. De meeste delinquentie kan beschouwd worden als leeftijdsgebonden delinquentie. Het maakt deel uit van het proces van opgroeien en volwassen worden. De reactie daarop moet dan ook de grenzen duidelijk laten blijken, maar moet opletten niet te veel te dramatiseren. Normovertreding hoort als het ware bij het jong zijn en volwassen worden. Slechts bij een beperkte groep jongeren is het probleemgedrag ernstiger van aard. Het zijn vooral jongens die hiertoe het risico lopen. Of zij hier ook effectief in vervallen, hangt veel af van hun ervaringen op school en de mate waarin zij door hun ouders opgevolgd worden. Jongeren en geloof Voor verdere informatie: prof. dr. Dirk Hutsebaut, Centrum voor godsdienstpsychologie, Tiensestraat 102, 3000 Leuven, tel. (016) 32 61 29. We kijken al lang niet meer op wanneer gesteld wordt dat de kerken leeglopen. Reeds jarenlang wordt dit voorspeld en vastgesteld. Ook bij jongeren zal dit wel de trend zijn. Alhoewel hier en daar door sommigen een lichtpuntje wordt gezien; onlangs nog een paar honderdduizend jongeren op het Sint-Pietersplein die de paus komen begroeten. Maar klopt dit ook met het algemene beeld? Perstekst – Jongeren in Vlaanderen: gemeten en geteld 12 Alhoewel we dus kunnen vermoeden dat geloofskwesties weinig jongeren kunnen warm maken, hebben we in dit onderzoek de moeite genomen om het thema ‘geloof’ of ‘religie’ toch wat van naderbij te bekijken. We hebben dit op twee manieren gedaan. Enerzijds bekeken we de houding van jongeren ten aanzien van geloof, anderzijds hun geloofspraktijk. Houding ten aanzien van geloof Religieuze zelfdefinitie. Omschrijven jongeren zichzelf als katholiek, christelijk of eerder als ongelovig of vrijzinnig? Iets meer dan de helft van de jongeren (52%) omschrijft zichzelf als gelovig, katholiek of christelijk, vier op tien jongeren omschrijft zichzelf als ongelovig of vrijzinnig en 6% heeft een ander geloof. Meisjes (55%) omschrijven zichzelf iets meer als gelovig, katholiek of christelijk dan jongens (49%). Maar de meest opvallende vaststelling is de sterke daling naarmate men ouder wordt. Bij de 12-jarigen omschrijft 71% zich nog als gelovig; bij de 18-jarigen is dit gezakt tot 44%. Godsbeeld. Geloven jongeren in het bestaan van een god of een bovennatuurlijke werkelijkheid, of hebben ze daar ernstige twijfels over? 13% is absoluut zeker van een god of bovennatuurlijke werkelijkheid, 17% gelooft daar niet in, 59% heeft daarover lichte tot grote twijfels, 11% kan daarover geen uitspraak doen. We merken daarin geen groot verschil tussen jongens en meisjes. Wel is er opnieuw een daling met de leeftijd. Religieuze praktijk Kerkbezoek. Alhoewel meer dan de helft van de jongeren zichzelf als gelovig omschrijft gaat slechts 18% minstens één keer in de maand naar de kerk (11% gaat wekelijks). Meer dan acht op tien jongeren gaat dus zelden of nooit naar de kerk. De jongeren verschillen daarin niet van hun ouders. Tussen de mispraktijk van de ouders en die van hun kinderen is er een heel sterk verband. Opnieuw merken we hier een sterk leeftijdseffect. Eén op drie 12-jarigen gaat nog minstens één keer in de maand naar de mis, terwijl dit voor 18- jarigen slechts 8% is. Bidden. Alhoewel slechts 18% van de jongeren regelmatig een kerk binnenstapt, zijn er toch nog 36% die soms of regelmatig bidden. Meisjes bidden meer dan jongens. En opnieuw is er een sterk leeftijdseffect: 54% van de 12-jarigen stelt nog soms of regelmatig te bidden, terwijl dit bij 18-jarigen gezakt is tot 24%. Godsdienstles. Een grote meerderheid van de jongeren volgt godsdienstles op school (81%), 14% volgt zedenleer en 5% zegt dat ze geen van beiden volgen. Besluit Er is nog steeds een beduidend aantal jongeren dat zich als gelovig, katholiek of christelijk omschrijft of dat gelooft in een god of bovennatuurlijke werkelijkheid. Dit uit zich minder in een geloofspraktijk (kerkbezoek of bidden). Meisjes zijn daarbij consistent iets ‘religieuzer’ dan jongens. Maar wat vooral opvalt is de sterke daling naarmate met ouder wordt. Wanneer 12-jarigen het secundair onderwijs binnentreden is een meerderheid nog warm te maken voor religieuze kwesties. Wanneer ze als 18-jarige de school verlaten, houden ze die zaken meestal voor bekeken.
Hans De Witte, Jeannine Hooge & Lode Walgrave (red.), Jongeren in Vlaanderen: gemeten en geteld. 12- tot 18-jarigen over hun leefwereld en toekomst, Universitaire Pers, Leuven, 2000, 358 p., ISBN 90 5867 085 6, 1350 BEF.
|