|
Advaita Vedanta Bespreking |
|
|
|
There are no translations available. Boekbespreking Douwe Tiemersma (red.), Bruno Nagel en Otto Duintjer
Advaita Vedanta. De vraag naar het zelf-zijn. Symposium 2000
Uitg. Advaita Centrum, Gouda 2001
In: InZicht. Wegen van radicaal zelfonderzoek, 3 nr. 4 (december 2001), 43-44
'De Advaita Vedänta hoort op de universiteit thuis'. Ik weet het natuurlijk niet zeker, maar ik denk dat er weinig collegezalen in de wereld te vinden zijn waar deze zin hardop uitgesproken zal worden en ook nog wordt bewaarheid. In Rotterdam aan de Erasmus Universiteit is deze zin in september 2000 wel uitgesproken door docent filosofie Douwe Tiemersma bij de opening van het symposium over de vraag naar het zelf-zijn, waarbij hij voor de Advaita een belangrijke rol ziet weggelegd. Van dit symposium is nu een compact boek verschenen waarin een verslag is te vinden van de lezingen van Bruno Nagel, Douwe Tiemersma en Otto Duintjer. Bruno Nagel behandelt de ontwikkelingsgeschiedenis van het non-dualistisch denken met als hoogtepunt Shankara. Douwe Tiemersma gaat in op de actuele situatie waarin alles open is, nu zo goed als alle bestaande vanzelfsprekendheden ongeloofwaardig zijn geworden; in deze situatie is juist de Advaita relevant. Ten slotte is Otto Duintjer gericht op de toekomst, als hij een kritisch geluid laat horen bij diezelfde Advaitatraditie. Daarna volgt een levendige discussie met het publiek - er waren meer dan honderd mensen. Het boek wordt afgesloten met een aantal sprekende fragmenten uit de behandelde Upanishaden, die als parels van deze traditie mogen worden beschouwd. Hiermee heeft de lezer in een notendop veel informatie over de geschiedenis van de Advaita Vedanta, haar relevantie en waarde in de huidige tijd en kritische kanttekeningen gericht op de toekomst. Dit alles wordt verlevendigd door boeiende dialogen tussen zaal en sprekers.Ter illustratie volgen hier enkele fragmenten. Bruno Nagel onderzoekt in zijn betoog het waarheidsgehalte van verschijnselen; hij weet: 'ik val niet samen met mijn auto, mijn gevoelens en zelfs als wetenschapper evenmin met mijn gedachten. 'De toegang tot dat geheim wat we dan wel zijn, zit hem in het eenheidsperspectief. Vroeger had men daar allerlei rituelen bij nodig, maar gaandeweg werd de weg steeds directer, totdat bij Shankara uiteindelijk inzicht voldoende bleek voor die eenheidsbeleving. Het gaat dan om de eenheidservaring dat Brahman en Atman een zijn. Hij geeft hierbij prachtige klassieke voorbeelden uit de Upanishaden; hoe men daar via de afpelmethode onomstotelijk bij kon komen. In de discussie daaropvolgend vraagt iemand hoe het zit met illusies. Bruno Nagel antwoordt heel helder, dat de illusie ontstaat als je iets isoleert en dat vervolgens verabsoluteert. Dan is Douwe Tiemersma aan de beurt, die onze tijd kenschets als een waarin alle bestaande vanzelfsprekendheden ongeloofwaardig zijn geworden. Alle dogma's lijken te hebben afgedaan. Het is in dit verband, zo stelt hij, dat de Advaita relevant is, want hierin staat een ondogmatisch onderzoek centraal. Verder stelt hij dat het in de Advaita om een ongeconditioneerde staat gaat, dit in tegenstelling tot elke vorm van opvoeding en cultivering. De gerichtheid is namelijk op het ongeconditioneerde Atman-Brahman. Wanneer alle standpunten radicaal zijn gerelativeerd, val je samen met het ongeconditioneerde Zelf. 'Die open sfeer ben je zelf.' Douwe Tiemersma illustreert dit aan de hand van een gesprek tussen leraar en leerling, hoe de leerling door alleen maar helderder te kijken eenvoudig tot meer waarheid komt. Na zijn verhaal vraagt iemand uit de zaal aan hem hoe het dan zit met de lagere dingen zoals bijvoorbeeld naar de w.c. gaan. Het antwoord is: 'Deze dingen blijven betrekkelijk, maar voor zover je in de wereld leeft, blijven er de wetmatigheden die daarin gelden.' Op de vraag of met de Advaita niet weer een nieuw geloof wordt gecreëerd met een mooi verhaal, stelt Douwe Tiemersma: 'De woorden worden gebruikt om iets te suggereren, ze verwijzen naar iets dat niet te vangen is in woorden. Fundamenteel is er alleen maar openheid.' Tenslotte komt Otto Duintjer aan het woord om wat kritische geluiden te laten horen. Maar eerst spreekt hij zijn waardering uit over de eenvoud en radicaliteit van dit pad. Vervolgens signaleert hij terecht enkele bedenkelijke ontwikkelingen. Als eerste punt noemt hij de neiging bij veel Advaita-mensen om zich er op te laten voorstaan dat ze 'verlicht' zijn en daar een bovenmenselijk gezag aan ontlenen als goeroe. Met name noemt hij volgelingen van Punjaji uit Lucknow. Vervolgens ziet hij het als een valkuil om diezelfde 'verlichting' telkens als uiteindelijk doel te stellen. Ten derde noemt hij het gevaar van de desinteresse van sommige 'verlichten' voor het leven en de daarbij horende onverantwoordelijkheid. Uitvoerig en heel zuiver gaat hij vervolgens in op het motief om met spiritualiteit te beginnen. Voor hem zelf zou het motief niet zijn zo snel mogelijk weg te komen uit dit leven, maar veel meer hoe tot meer levenskunst en levenswijsheid te komen. De realisatie dat je Atman-Brahman bent geldt natuurlijk ook voor je naaste en dat heeft consequenties. In de discussie benadrukt iemand de voordelen van een goeroe, 'die inhamert en herhaalt zodat het kan zakken'. 'Zeker,' antwoordt Otto Duintjer, 'in ons westerse onderwijssysteem zijn voorbeelden van ons anti-autoritaire opvoeding bekend van jongeren die niet langer dan twee minuten hun mond kunnen houden.' Het boek gaat verder met een boeiende en levendige plenaire discussie met vragen als 'Waar komt de manifestatie vandaan?' 'Mijn leraren vertelden mij altijd dat ik niets hoefde te doen' en 'Heeft de Advaita wel oog voor het zotte?' Het boek sluit af met een kort overzicht van de Upanishaden en de Vedanta en eindigt met een paar prachtige klassieke teksten.
Paul Blok
|