|
There are no translations available.
Kloos was een van de belangrijkste vernieuwers van de poëzie in de jaren tachtig van 19e eeuw. Hij richtte met anderen het tijdschrift De Nieuwe Gids op. In zijn gedichten beschrijft hij op directe wijze zijn gevoelens. De thematiek van de twee onderstaande gedichten, elk met een erg bekende beginregel, zal de lezer die enigszins met de advaita-benadering is meegegaan, gemakkelijk herkennen. Uit: Geliefde gedichten, De Arbeiderspers, Amsterdam 1972, p. 119-120
*
Sonnet
Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten, En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon Over mij-zelf en 't al, naar rijks-geboôn Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten, -
En als een heir van donker-wilde machten Joelt aan mij op, en valt terug, gevloôn Voor 't heffen van mijn hand en heldre kroon: Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten.
En toch, zo eind'loos smacht ik soms om rond Uw overdierbre leên den arm te slaan, En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed
En trots en kalme glorie, te vergaan Op uwe lippen in een wilden vloed Van kussen, waar 'k niet langer woorden vond.
*
Van de Zee
De Zee, de Zee klotst voort in eindeloze deining, De Zee, waarin mijn Ziel zich-zelf weerspiegeld ziet; De Zee is als mijn Ziel, in wezen en verschijning, Zij is een levend Schoon en kent zich-zelve niet.
Zij wist zich-zelven af in eeuwige verreining, En wendt zich altijd om, en keert weer waar zij vliedt, Zij drukt zich-zelven uit in duizenderlei lijning En zingt een eeuwig-blij en eeuwig-klagend lied.
O Zee, was Ik als Gij in al uw onbewustheid, Dan zou ik eerst gehéél - en groot-gelukkig zijn;
Dan had ik eerst geen lust naar menslijke belustheid Op menselijke vreugd en menselijke pijn;
Dan was mijn Ziel een Zee, en hare zelf-gerustheid Zou, wijl Zij groter is dan Gij, nóg groter zijn.
*
|