|
There are no translations available.
Kopland is het passende pseudoniem van Van den Hoofdakker. Hij is naast dichter en schrijver ook psychiater. Voor zijn dichterlijk werk heeft hij vele prijzen gehad. Hij schrijft volgens Herman de Coninck, 'gedichten waar je heel gemakkelijk inkomt, maar niet meer uit geraakt.' De onderstaande gedichten komen uit een verzamelbundel Geluk is gevaarlijk. Een keuze uit de gedichten, Rainbow Pocketboeken, Amsterdam 1999.
*
In de morgen
Er moet iets zijn als we inslapen we gingen liggen en sliepen in
wat was het dan - terwijl de laatste woorden voor de wereld ijler en ijler werden: maanlicht, verre hond, zacht ademen, geuren van een man, een vrouw, nacht, nacht en nog eens - wat was het
dat zei, terwijl ook het laatste woord nacht was gedoofd: dit zijn onze eigen armen nog waarin we uiteenvallen in dit zwarte gat dit is nog ons eigen lichaam
dat iets zei, terwijl er geen woorden meer waren
er moet iets zijn nu het woord morgen langzaam oplicht en het morgen is dat ons bijeen hield en loslaat zoals we hier liggen
*
Oneindig veel problemen
Men zou het woord probleem moeten vermijden om twee simpele redenen:
er zijn oneindig veel voorbeelden van problemen die er niet zijn - ik kom hier op terug
er zijn even oneindig veel voorbeelden van problemen die er wel zijn, maar niet zo worden genoemd - ook hierop kom ik terug.
Alle gebeurtenissen bijvoorbeeld, ja alle, om ons heen en in ons, ze zijn gebeurd en men vraagt waarom.
Vergeef mij mijn enige antwoord: waarom niet?
Want alle gebeurtenissen zijn uitzonderingen op al die regels volgens welke ze niet gebeuren.
Het is dus beter het woord probleem niet te gebruiken want de problemen die er zijn en er niet zijn zijn dezelfde.
Zo zou ik kunnen doorgaan tot ik ophoud.
Daar is veel voor te zeggen, niets daarna.
*
Hoe zal ik dit uitleggen, dit waarom wat wij vinden niet is wat wij zoeken?
Laten we de tijd laten gaan waarheen hij wil,
en zie dan hoe weiden hun vee vinden, wouden hun wild, luchten hun vogels, uitzichten onze ogen
en ach, hoe eenvoud zijn raadsel vindt.
Zo andersom is alles, misschien. Ik zal dit uitleggen.
Uit: Tot het ons loslaat, Van Oorschot, Amsterdam 1997
*
Klaas Gubbels
Hoe een tafel bijvoorbeeld verandert in een schilderij.
Het gaat om het zien zegt Klaas meer kijken, minder schilderen.
Achteruitlopen, tot je denkt: verdomd.
Als je lang genoeg kijkt zie je Iedere tafel voor het eerst.
*
De chemie van de ziel
De oudste geleerden al dachten dat wij worden bewoond door de ziel
ergens moest ons lichaam zijn wat het was maar dat tegelijkertijd ook niet zijn iets onvoorstelbaar anders
harde wetenschap heeft nu laten zien dat dit inderdaad zo is
met de mooiste machines is er gekeken waar en wanneer onze moleculen veranderen in zoiets vluchtigs als bijvoorbeeld een gelukkige herinnering
en waar en wanneer die herinnering weer in de moleculen verdwijnt op dezelfde plek op hetzelfde moment
en jawel: de beeldschermen bleven leeg en de printers zwegen – duidelijker bewijs is er niet.
Uit: Over het verlangen naar een sigaret, G.A. van Oorschot, Amsterdam 2001
*
Zelfportret
Je ziet een man in de tuin hij lijkt verzonken in zichzelf
die man ben ik, ik weet het maar als je lang kijkt naar een foto van jezelf verval je in gepeins - wie je bent en wie je bedoelt als je ik zegt, enzovoort
ik kijk en kijk in dat gezicht en inderdaad – ben ik dat?
over het ik is veel nagedacht ook door mij, maar de meningen lopen nog steeds ver uiteen ook die van mij – zoals dat gaat met woorden die niet kunnen worden begrepen
niemand heeft ooit zichzelf gezien maar het verlangen blijft naar het onzichtbare ik
je zoekt in wat er van je overbleef een man in de tuin
*
De tafel het raam
Iemand is gaan zitten aan de tafel en langzaam gebeurt het langzaam verdwijnt hij uit zijn gedachten gaat hij vergeten
de tafel is leeg en het is alsof de leegte in hem binnendringt hem vervult
langzaam gaat hij met zijn ogen tegen de muur omhoog naar het raam naar het uitspansel over het dorp
ziet hij de vogels van de hemel hoe zij dwalen rond de toren van de kerk en de wolken hoe zij voorbijwaaien
denkt hij ik ben alles wat ik zie
*
Stroomdal
IX
Hoe lang al zat ik hier – al voor de tijd dat de tijd begon, niemand zag me, maar ik zat hier al eindeloos te kijken, zoals nu
hoe lang zal ik hier blijven – tot voorbij de tijd dat de tijd zal zijn opgehouden, niemand zal mij zien, maar ik blijf hier kijken, zoals nu
het landschap met de rivier is er altijd geweest en zal er altijd zijn, omdat ik het zie
onzinnige waarheden, maar er zijn geen betere
*
XI
Al die jaren dat ik zat te kijken op het terras aan de rivier dacht ik: zoals hier, zo moet het zijn
niets ontbreekt, niets is overbodig het is te eenvoudig om te begrijpen te vanzelfsprekend om te beschrijven zo ligt het daar
het landschap met de rivier ik zal het nooit kennen
Uit: Een man in de tuin, G.A. van Oorschot, Amsterdam 2004
*
|