|
There are no translations available.
Deze dichter groeide op in Zeeland en studeerde rechten. Hij werkte bij de Visserij-inspectie in Den Haag en als administrateur bij de gemeente Rotterdam. In 1942 begon hij te schilderen en bekwaamde zich in de grafische kunsten. Tijdens de oorlog verhuisde hij naar Maarssen en daarna woonde hij op een woonboot in Zaltbommel en Leerdam. Het tijdschrift Barbarber ontdekte hem als dichter. Na 1966 gaf hij het meeste van zijn werk uit in eigen beheer, de zogenoemde 'Domburgse cahiers'. Hij overleed op 94-jarige leeftijd. De avond van zijn dood zond Vara-radio een documentaire over hem uit.
*
Narrenwijsheid
Niets is, dat niet goddelijk is daarom wil ik niets uitzonderen ik geef geen namen
ik laat adel en schoonheid liggen, ik vraag niet naar recht, ik blijf niet staan bij slecht en lelijk goed en deugdzaam gaan mij niet aan
de regen regent over bos en zee en over de stille velden in de slootjes regent de regen, op de verre buitenwegen en op het zinken platje van de keuken in de vuile gootjes van de binnenstad regent de regen en de regen regent op de keetjes van de burgerwacht en op het trottoir met de natte krant, de uieschil en het lucifertje
de gevangene in zijn cel hoort de regen, de moeder staat voor het raam met haar kindje de kelner staart in de regen door de spiegelruit, voorbij het kleintje koffie de politicus loopt op en neer in zijn kamer en bedenkt wat hij zeggen zal, maar hij blijft staan en luistert naar de regen de regen regent over de schepen in de havens, over het station en de emplacementen, over de fabrieken buiten de stad en over het oude paard van de kolenwagen aan de overkant zachtjes ritselt de regen in de graskantjes van de weg hij leekt langs de planken van het fietsenhok en langs het warme gezicht van het schoolmeisje langs het gelaat van de oude man, die heeft liefgehad, langs de vale gezichten van de chauffeur en de journalist met zijn potloodje op de rode pannendaken der oude huizen, op de afdakjes en de binnenplaatsen, in de steegjes en de hofjes en in de groene grachten van de oude stad regent de regen hij regent pokkeputjes in het kille strand, waar het seizoen verkeken is op de daken der hotels met de rood pluche kamertjes regent hij, over de lege ambtenaarsbuurten en de bouwterreinen op de tramremise en de kar van de bakker, op de werkman van het sintelpad en er is een diepe, zware toon gekomen in de dingen, oud en dromerig en vertrouwd
zo regent de regen daarom geeft ik geen namen ik ga maar en ben.
Uit: Domweg gelukkig in de Dapperstraat. Verzamelbundel, Bert Bakker, Amsterdam 1991
*
|