Uit: Douwe Tiemersma, Mediteren leren. Jezelf en de wereld herkennen als Openheid
Hoofdstuk 1 De uitgangssituatie en een paar fundamentele meditatievormen
[...]
1.5 De spontane meditatie en de standaardmeditatie
In de vorige paragrafen ging het om de kennis die je al van mediteren hebt. Die blijkt aanzienlijk te zijn. Je weet dat het om ontspanning en om een rustige, heldere geest gaat. Je kent die situatie uit eigen ervaring, je weet wat een meditatieve toestand is. Vanuit dit weten kan opnieuw gemakkelijk weer de meditatieve sfeer ontstaan. Bij alle oefeningen en afleidingen is er steeds weer een terugkeren naar de stille sfeer van je zelf, een steeds verder ontspannen, terwijl je helder blijft.
De spontane meditatie
Word je bewust van je lichaam en je lichamelijke situatie hier en nu. Stel vast dat er spontaan een ontspanning kan optreden en een stilte van je geest. Laat deze voortbestaan door daarop te letten. Laat de ontspanning dieper doorgaan en de stilte groter worden, terwijl je helder blijft. Geef je over aan die ontspanning en stilte. Zo ontplooit zich de meditatie. Alles komt open. Doe dit zo vaak als maar mogelijk is.
Als deze spontane meditatie goed is, kun je de speciale meditatie-oefeningen laten zitten. Hoe spontaner de meditatie, des te beter. Op spontane wijze zal de meditatie uiteindelijk zomaar doorgaan onder alle omstandigheden, bij alles wat je doet, op heel natuurlijke wijze. Eigenlijk is er niets te beoefenen, als de structuur van 'ik-denk' en 'ik-wil' verdwijnt. Niets hoeft te worden veranderd, als alles maar wordt losgelaten en je je oorspronkelijke staat herkent. Voor zover in de praktijk de meditatie niet zomaar verder gaat, is het blijkbaar nodig te gaan kijken waarom dat het geval is. Meestal is dan op te merken dat de geest, het denken en voelen, onrustig blijft. Dan ligt het voor de hand gedurende een tijdje de geest op bewuste wijze te begeleiden, als eerste, de aandacht bij iets speciaals te houden. In dit boek gebruiken we hiervoor 'de standaardmeditatie'.
De standaardmeditatie
Ga rechtop zitten. Verleg je aandacht naar binnen en richt je niet zozeer op de inhoud van de geest (voorstellingen, denken), maar op de ademhaling zoals je die van binnenuit waarneemt. Het is het proces van instromen en uitstromen van de adem. Laat de inademing steeds diep doorgaan naar beneden in de buik. De buikwand gaat dan iets naar voren bij de inademing en terug bij de uitademing. Leg eventueel je handen op de buik om deze beweging te voelen. Laat je punt van aandacht naar beneden zakken naar de onderbuik en laat je steeds dieper ontspannen en naar beneden zakken. Voel daar bij de inademing de druk toenemen, alsof het daar volstroomt; voel bij de uitademing hoe de druk afneemt, alsof het daar leegstroomt. Door de aandacht voor het ademproces in de onderbuik ga je minder gemakkelijk mee met allerlei voorstellingen en denkbewegingen. In het begin is het goed de inademingen te tellen, bij elke inademing steeds een tel verder van 1 tot 10 en dan begin je weer opnieuw. Doe dit tellen met zorg. Zodra je merkt dat je afgeleid bent, keer je met je aandacht terug naar het ademproces in de buik. Merk op dat je geest rustiger wordt, al zullen er waarschijnlijk voorlopig perioden blijven met allerlei gedachten. Als je enigszins aan deze meditatie bent gewend, is het goed nog eens naar de kwaliteit van je aandacht te kijken. Deze kan evenals de adem zacht zijn en zorgvuldig. Met je aandacht koester je de ademstroom en zo is het tellen ook zorgvuldig. De aandacht kan steeds meer samengaan met het stromen van de adem. Laat de adem bij de uitademing steeds rustig wegstromen en ervaar de leegte en stilte als je uitgeademd bent. Deze duurt even voordat de inademing weer begint. Het proces van algehele ontspanning kan zo verder doorgaan, zover dat de standaardmeditatie overgaat in een spontane meditatie.
Uitgaande van de spontane meditatie en de standaardmeditatie zullen we preciezer gaan kijken wat mediteren nu eigenlijk inhoudt.
Hoofdstuk 2 Wat is mediteren?
Mediteren is 1 je aandacht naar binnen laten keren, 2 je geest stil laten worden, 3 je eigen situatie en je ware aard steeds duidelijker gaan zien, 4 je werkelijkheid laten transformeren, 5 jezelf overgeven, 6 de meditatie en de resultaten ervan in het dagelijkse leven integreren, 7 kortom: het doel van meditatie realiseren.
Dit alles wordt in de volgende paragrafen toegelicht. Bedenk daarbij dat de zeven punten meestal met elkaar zijn verweven en dat ze vrijwel nooit apart voorkomen. Toch is het nuttig ze als aspecten van meditatie apart te bekijken.
2.1 Je aandacht naar binnen laten keren
Zowel bij de spontane als bij de standaardmeditatie is er een bewustzijn van de eigen binnenwereld. Mediteren begint als je je aandacht naar binnen keert, of, bij een blijvende aandacht voor de buitenwereld, als je je aandacht naar binnen laat uitbreiden. Overdag is de aandacht meestal naar buiten gericht, omdat je met dingen in de wereld bezig bent. Daar wil je iets doen, veranderen, tot stand brengen. De innerlijke sfeer komt slechts sporadisch in de aandacht. Bij meditatie zal er in ieder geval ook aandacht moeten zijn voor de binnenwereld. Er kan dus (1) een uitbreiding van het veld van aandacht zijn, zodat je je niet alleen van de buitenwereld, maar ook van de binnenwereld bewust wordt. Er kan (2) ook een beweging zijn, waardoor er een exclusieve aandacht ontstaat voor de binnenwereld. Het brandpunt van je aandacht heb je dan van buiten naar binnen verlegd. Er is dan alleen maar de binnenwereld. De eerstgenoemde mogelijkheid komt ook, onder andere bij de integratie, aan bod. Wij gaan hier vooral verder met het naar binnen keren van de aandacht. Leer deze beweging op een heel concrete manier kennen, zodat je weet hoe je situatie op elk moment is.
a) Houd de vingertoppen van een hand bij elkaar en kijk ernaar. Merk op: 1) dat je er tegenaan kijkt, dat er een punt van aandacht is op de vingertoppen, 2) dat er een afstand is tussen jezelf als kijker en de vingers. Als je je ogen dicht doet kan er eenzelfde situatie zijn: de vingertoppen vormen nu een beeld op een afstand, maar nu in de binnenwereld. Doe nu de ogen weer open en kijk naar de vingers op afstand. Breng ze dan langzaam naar het punt tussen je wenkbrauwen. Als je de vingertoppen blijft fixeren, ga je steeds scheler zien. Dit gaat door totdat je de vingertoppen niet meer kunt zien, terwijl je er toch met de aandacht op gericht blijft. De vingers raken nu de huid tussen de wenkbrauwen. Het punt van aandacht kan nu verder naar binnen gaan. Er is dan een overgang van het aandachtspunt van buiten naar binnen. Wat gebeurt er dan?
Een mogelijkheid is dat je als waarnemer (subject) op dezelfde plaats achter je ogen blijft staan en dat het aandachtspunt (object) steeds dichterbij komt totdat het met je gaat samenvallen.
b) Wat gebeurt er als subject en object gaan samenvallen?
[...]
|