|
De ander en ik Stuk tekst |
|
|
Uit: Douwe Tiemersma, Jos de Mul, Victor Kal, Bruno Nagel, De ander en ik. Eenheid en scheiding in westerse, joodse en hindoeïstische tradities
Korte aanduiding van de inhoud van de lezingen
Jos de Mul, Je est un autre
Volgens een dominant mensbeeld in de moderne, westerse filosofie is de mens een wezen dat tegenover de wereld en zijn medemensen staat. Dit mensbeeld wijkt sterk af van de opvatting van de Advaita Vedânta volgens welke het zelf van de ander en het eigen zelf identiek zijn. Het dominante westerse mensbeeld heeft echter van meet af ook veel kritiek gekregen vanuit de westerse filosofie zelf. Zo wordt in de hermeneutische traditie onderstreept dat de mens geen geïsoleerd subject is, maar altijd reeds deel uitmaakt van de wereld waartoe ook andere personen behoren. Sommige postmoderne denkers gaan nog een stap verder en stellen dat de mens zijn zelf geheel en al te danken heeft aan het imiteren van anderen. Ook in de westerse kunst - zie bijvoorbeeld de aan Rimbaud ontleende titel van deze lezing - is het genoemde dominante mensbeeld vaak bekritiseerd. In de lezing zal deze alternatieve westerse traditie nader worden toegelicht en geïllustreerd aan de hand van personal homepages op het World Wide Web.
Victor Kal, Hoe houd ik mij de ander van het lijf? Rosenzweig contra Levinas
In het denken van de Franse filosoof Emmanuel Levinas is sprake van een volstrekt asymmetrische relatie tussen het ik en de ander: terwijl de ander zich geheel en al aan de greep van het ik onttrekt, raakt het ik juist geobsedeerd door deze ander. Eenmaal geraakt door de blik van een ander, zou diens lot mij niet meer met rust laten. De radicale differentie tussen het ik en de ander dreigt daarom onmiddellijk in zijn tegendeel om te slaan. Geabsorbeerd door een onbereikbare ander, heeft het ik zijn identiteit niet meer in zichzelf, en valt het telkens eventjes samen met die ander. Dit roept de vraag op of het niet verstandig is zich de ander eerst eens van het lijf te houden, zodat de differentie tussen het ik en de ander geen gevaar loopt en het ik zich niet aan de ander verliest. Juist op dit punt kan Franz Rosenzweig, één van Levinas' leermeesters, ons verder helpen.
Douwe Tiemersma, Advaita: de onuitsprekelijke eenheid van mijzelf en de ander
De afwezigheid van tweeheid (advaita) betekent dat het hoogste zelf van de ander en mijn eigen zelf-zijn niet verschillend van elkaar zijn. Hoe is dat te rijmen met de ervaring dat ik en de ander verschillen? In de Advaita Vedânta is de eenheid niet in alledaagse zin te vatten, omdat zij vooraf gaat en voorbij gaat aan de wereld van personen en omdat zij tevens deze wereld van tweeheid op niet-beperkende wijze in zich heeft. Ze is onuitsprekelijk. Deze non-dualiteit kan plotseling als een herkenning doorbreken bij het onderzoek naar het meest eigen zijn. Dan wordt het ook duidelijk dat zij de grondslag vormt van onderling begrip, van moraliteit en van de mogelijkheid dat iemand als leraar bemiddelend kan werken voor een ander.
|