|
Het zijn verrassende bundels gedichten van de Vlaming Claude van de Berge, docent voordrachtskunst en literatuur. Geïnspireerd door het ijslandschap van IJsland en Groenland geeft hij op de grens van het zegbare woorden aan ervaringen van doordringen, versmelten, oplossen, non-dualiteit. De onderstaande gedichten komen uit IJsmummie (2002), White-out (2004) en Kristalschedel (2006), alle uitgegeven door Uitg. P, Leuven. De boekjes zijn voorzien van prachtige foto’s van ijs en landschappen door Arlette Walgraef.
*
De onderstaande twee gedichten komen uit IJsmummie, resp. pag. 24 en 58
Cyclus Het ijs van de ziel - 2
Zoekend tussen onze schedels naar de oorsprong van de stof. Het doodskristal.
Blindelings onze ziel aanrakend.
Beeld waarin we afwezig zijn, en waarin we onze afwezigheid omvatten.
Beeld dat het beeld met de leegte verenigt, en afwezigheid en aanwezigheid met elkaar laat versmelten.
Het is wat we nog steeds in onszelf zijn. Het eindeloze opene.
*
Cylus De roerloosheid van de ijsmensen - 4
Onze roerloosheid versmelt met de ijsversteende omtrek van de witte zon.
Gletsjergeluid. Steminkrassing.
De bevroren zon splijt haar. Soms versteent een ster in haar.
In de witte as van de ijswindsplinters, bij de gletsjergrens, waar we gestalten zijn.
Het onbekende komt tot ons, en zegt: ‘Ik wil me in jou verbergen.’
Onze samensmelting spat open. De ijssteen stroomt vol met ons.
De leegte van het eindeloze ontvouwt zich door zich in ons terug te trekken, om van onszelf het verborgene te zijn.
We zijn het niet. We zijn niet wat we zijn.
We zijn wat zichzelf is. We zijn wat ons opneemt in zichzelf.
*
De onderstaande twee gedichten zijn uit White-out, resp. pag. 45 en 57
Cyclus: Het geheim – 3 De eenheid 4
Lichtkrassen in de gebroken steen. Niets verlangen we en zoeken we, want niets kan worden gezocht.
Zoals het bestaan uit zichzelf bestaat en geen doel zoekt om te bestaan.
De wijde toewijding aan verte en ster is wat we zijn, ook zonder beeld.
Daar raken we elkaar in het wonder van onze uitwissing.
Als stemmen weerkaatst op het ijs: “Ik ben jou, en jou zijn, is zijn wat ik ben.”
*
Cyclus: White-out (3) - 3
Het ondoorgrondelijke witte wezen van de eindeloze verte is de sneeuw die zonder echo in het oog valt.
Het oog is wijd. De bevroren zon breekt in de ijsbergbloem, en in het verbleekte oog.
Een heelal stroomt door ons heen, en verbrokkelt tot sneeuw.
Als het heelal in de ziel verschijnt, is het heelal de ziel.
Het vult ons. Het drukt zijn geheim in ons.
En het schenkt zichzelf in ons. En het maakt ons gelijk aan zichzelf.
*
De onderstaande twee gedichten komen uit Kristalschedel, resp. pag. 21 en 24
Cyclus De stem 2
Geopend. Geopend voor het opene.
Alsof we in het heelal zijn voor het heelal ontstaat.
De witte vogel op het versteende meer, de rots, de kristallen zon.
De kudden betoverd door de avond, terugkerend naar hun slaapplaatsen.
Het is het opene. En in de gebroken stilte spreekt geluidloos een sterkleurige stem.
En de stem spreekt in ons tot zichzelf, want het opene is het vreemde, en het vreemde is het verre, en als je het verre liefhebt, heeft het verre zichzelf lief in jou, en als je het verre bent, is het verre zichzelf in jou.
*
De stem 5
Het andere is het wezen van het zelfzijn dat als het andere in het andere zichzelf is.
Het komt niet zoals een gestalte komt, maar zoals iets komt dat niet komt.
Want het is aanwezig voor iets aanwezig is, en voor iets komt en iets verdwijnt.
Want wat komt en verdwijnt, verblijft in een ruimte, maar wat niet komt en niet verdwijnt, verblijft in niets.
Als we niet langer verblijven in een ruimte, zijn we het andere dat niet komt en niet verdwijnt, en in niets verblijft.
De vervulling van de uitgebreidheid. De verwijding van de zuivere gelijkheid met zichzelf
|