De gedichten en essays van de germanist en theoloog Jellema kregen verschillende beoordelingen. Enerzijds was er de kritiek dat zijn teksten moeizaam en vanuit een kwellende bedachtzaamheid zijn geschreven en dat daarin teveel vormvastheid zit (sonnetten) en teveel heimwee en weemoed. Anderzijds was er veel bewondering voor de stijl en de inhoud van zijn gedichten. Zijn bundels kregen veel literaire prijzen. Jellema gaat meestal uit van alledaagse gebeurtenissen en voorwerpen, maar laat hen dan verwijzen naar een groter geheel. Vaak is er het verlangen één te worden met dat wat hij zag. In 1999 verscheen zijn vertaling van het Buch der Götlichen Tröstung van Meister Eckhart. De onderstaande gedichten komen uit zijn Verzameld Werk - Gedichten, Querido, Amsterdam 2005.
*
Kijken
Ik kijk hoe ik kijk naar de man die ik ben die kijkt naar de sneeuw die loopt door de sneeuw die kijkt hoe ik kijk naar de sneeuw en de man die kijkt naar de sneeuw die loopt door de sneeuw die ik ben en die kijkt hoe ik ben in de sneeuw en de man in de sneeuw ben ik niet
(p. 55)
*
Hand
Die dit lichaam waartoe zij behoort reinigt met spons en zeep, die de vork naar de mond voert om het te voeden, die de pen op papier uit het hoofd de woorden doet schrijven, die een hand geeft, een groet wuift,
die van haar medehand nagels knipt, in de gang op de tast het lichtknopje vindt, de pan boent, het bord in de kast zet, de rozen, de vlinderstruik snoeit in het voorjaar en aarde verkruimelde om de moerbei - een armlengte klein nog - aandachtig te planten,
die voor me denkt in het doen zolang ik kan denken
en niet meer van mij is als de vork in de la blijft, het blad onbeschreven, schoon pan en bord in de stillere keuken
(als het lichtknopje later van vreemde vingers niet meer opschrikt en - vreemder - de moerbei een boom werd),
maar nu nog de zool is die loopt op gevoel, zoals Rilke zegt,
kijk op de stoelleuning naast me, die hand.
(p. 484)
*
|