Advaitacentrum


Er is geen tweeheid

als je ontspannen bent
in zelf-bewustzijn
is dat duidelijk.

Nederlands (NL-BE)English (United Kingdom)
Home Studie en praktijk Poëzie en proza
  • 0
  • 1
  • 2
  • 3
prev
next

Chakrayoga

News image

  Douwe Tiemersma Chakrayoga  Yoga is de weg naar bevrijding van de beperkingen in alle onderdelen van het bestaan. Dit boek richt zich op de bev... lees meer

De bron van het zijn

News image

Nisargadatta Maharaj, De bron van het zijn ‘Wat was mijn toestand, voordat er ervaring was? Wie was er om op deze vraag te antwoorden?  …dat Ik dat ... lees meer

Non-dualiteit

News image

  Jij bent, ik ben dat licht, | licht dat overal zijn centrum heeft; | universeel stralen wij van binnenuit | onbeperkt de rijkdom | van het kleur... lees meer

Openingen naar Openheid

News image

    Als er een kleine bres in de dijk is, is de zee niet meer te houden.  Door ontspanning vallen grenzen weg en meteen is er vreugde.   Opening... lees meer

Jan Luiken (1649-1712) PDF Afdrukken

Als Amsterdamse dichter en graveur kreeg Luiken (ook Luyken) de meeste bekendheid door zijn prentenboek Het Menselyk Bedryf. Veel van zijn teksten zijn sterk religieus en mystiek.
Uit: Geliefde gedichten (gekozen door Willem Zaal), Arbeiderspers, Amsterdam 1972, 62-63

*

Droom is 't leven

Droom is 't leven, anders niet;
't Glijdt voorbij gelijk een vliet,
Die langs steile boorden schiet
Zonder ooit te keren.
D' arme mens vergaapt zijn tijd
Aan het schoon der ijdelheid,
Maar een schaduw die hem vleit,
Droevig! wie kan't weren?
D' oude grijze blijft een kind,
Altijd slaaprig, altijd blind;
Dag en ure,
Waard, en dure,
Wordt verguicheld in de wind;
Daarmee glijdt het leven heen,
't Huis van vel en vlees en been
Slaat aan 't kraken,
D' ogen waken
Met de dood in duisterheen.

*

De ziele betracht de nabijheid Gods


Ik meende ook de Godheid woonde verre,
In enen troon, hoog boven maan en sterre,
En hefte menigmaal mijn oog
Met diep verzuchten naar omhoog;
Maar toen gij u beliefde t' openbaren,
Toen zag ik niets van boven nedervaren;
Maar in de grond van mijn gemoed,
Daar wierd het lieflijk ende zoet,
Daar kwaamt gij uit der diepten uitwaarts dringen
En, als een bron, mijn dorstig hart bespringen,
Zo dat ik u, o God! bevond
Te zijn de grond van mijnen grond.!
Dies ben ik blij dat gij, mijn hoog beminde,
Mij nader zijt dan al mijn naaste vrinden.
Was nu alle ongelijkheid voort,
En 't herte rein gelijk het hoort,
Geen hoogte, noch geen diepte zou ons scheiden,
Ik smolt in God, mijn lief; wij wierden beiden
Eén geest, één hemels vlees en bloed,
De wezenheid van Gods gemoed, -
Dat moet geschien. Och help, getrouwe Here,
Dat wij ons gans in uwen wille keren.

 

*