3-30 ‘… scherp als een scheermes is het Pad …’ (Katha Upanishad 1.3.14)


jaargang 3 nr. 30 (23 september 2002)

Bovenstaande uitspraak uit de Katha Upanishad zal ook op het weekend op de Hoorneboeg op 19 en 20 oktober centraal staan. Het thema is ‘De hardheid en zachtheid van de advaita-benadering’. Daarom komt er een tweede stukje uit hetzelfde vers bij: ‘… uw wensen zijn vervuld …’. Dat geeft een diepe ontspanning en zachtheid. Op de website www.advaitacentrum.nl kan eenieder zich nu on-line opgeven voor het weekend (met dank aan Gert-Jan).

Deze week komt, in hetzelfde jaar als de eerste uitgave, de tweede, bijgewerkte druk uit van het boek ‘Mediteren leren 1’. Er blijkt een flinke belangstelling voor de meditatie te zijn die is gericht op non-dualiteit. Dat is een verheugende situatie.
In het Advaita Centrum en op advaita-bijeenkomsten op andere plaatsen is het boek te verkrijgen. Bij Deetje de Vries is het boek te bestellen (033-4944763, uitgeverij; zie ook www.advaitacentrum.nl onder Uitgeverij).
Een boekbespreking van dr. Kees Boukema heeft in het ‘Tijdschrift voor Yoga’ gestaan. Als bijlage is deze ook hier te vinden.

Al eerder waren er de volgende vermeldingen -
Open meditatie-avonden zijn er alle vrijdagavonden van 20.00 –ca.22.00 uur. Ze zullen worden geleid door Odile. In principe ben ik er de eerste avond van elke maand.
Individuele gesprekken zullen in verband met de grote toename van het aantal geconcentreerd worden op de vrijdagmiddagen en enkele donderdag- en vrijdagavonden. Via het secretariaat (0182-373427 – vóór 18.00 uur bellen!) kunnen afspraken worden gemaakt. Als je op een vrijdagavond komt, kun je ook nog meedoen aan de meditatie.

Brief en reactie
Naar aanleiding van 'Elke ervaring van dingen buiten is ook altijd zelfervaring; ze verwijst naar verlichting’ (27 mei 2002) en Sartre’s ‘De walging’.

‘Beste heer Tiemersma,
De advaitapost begon met bovenstaande zin, waarover ik ernstige twijfel heb als de zin zomaar in algemene zin wordt gebruikt.
Hierbij is het niet direct duidelijk of er uitsluitend "zijnservaring" van dingen wordt bedoeld
De zin frappeerde mij omdat ik juist iets over Sartre's boek "Walging" had geschreven met citaten hieruit. Het gehele boek draait om "ervaringen met dingen".
Dergelijke zinnen zijn (qua zinsbouw) altijd min of meer een definitie van iets.
Ik denk dat definiëren van iets juist een belemmering kan zijn. Heb ik het mis?’


DT - Een gesloten definitie kan inderdaad een belemmering zijn voor Openheid. In het kader van de advaitabenadering is echter geen enkele zin een gesloten definitie, noch wordt een uitspraak in algemene zin bedoeld. Alles wat in deze benadering wordt gezegd is gericht op het vergroten van het inzicht in Openheid bij de aangesprokene.
De betekenis van de inleidende uitspraak zou duidelijk moeten zijn: ‘kijk naar je ervaring van dingen buiten je’. Deze ervaring staat niet los van jezelf. De ervaring betreft de hele situatie, waarin de dingen en jezelf blijkbaar een plaats hebben. Externe ervaring is daarom altijd zelfervaring. Als dit daadwerkelijk het geval is, vallen de grenzen tussen de dingen en jezelf voor een groot deel of geheel weg. Voor zover dit niet duidelijk is, is het nuttig opnieuw naar de eigen ervaring te gaan kijken, deze te onderzoeken. De uitspraken, ook degene die een definitie lijken, hebben vooral een aansporende, didactische betekenis.

[ … ]

Via de conclusie dat er sprake is van een te veel zijn - alle dingen zijn te veel ten opzichte van de andere dingen, zelfs de mens is te veel - komt de hoofdpersoon/Sartre op het begrip ‘absurditeit’. Iets, een begrip of ding, is absurd, maar alleen ten opzichte van een bepaalde categorie. De beweringen van een krankzinnige zijn absurd in relatie tot zijn omgeving, maar niet ten opzichte van zijn waanzin.
De wortel onder de bank noemt hij zwart maar realiseert zich onmiddellijk dat het ook ‘ongeveer zwart’ of ‘meer dan zwart’ zou kunnen zijn:

“Dat leek op een kleur, maar ook .... op een kneuzing of op een afscheiding, op een doorzweten – en op andere dingen, op een geur bijvoorbeeld, het smolt tot de geur van vochtige aarde, van klam en vochtig hout, tot een zwarte geur, als een vernis uitgestreken over dit gespierde hout, tot de gesuikerde smaak van gekauwde vezels. Ik zag het zwart niet op een eenvoudige wijze: het zien is een abstracte uitvinding, een gezuiverd, vereenvoudig denkbeeld, een menselijk denkbeeld. Dat zwart, vormloze en slappe aanwezigheid, overstroomde, verre, het gezicht, de reuk en de smaak. Maar deze rijkdom ging over in verwarring en was tenslotte niets meer, omdat hij te veel was”.

Hiermee verklaart Roquentin (de hoofdpersoon) de Walging, die hem in ¾ van het boek overspoelde, te begrijpen:

“Ik begreep de walging, ik bezat haar. Eigenlijk gezegd formuleerde ik niet mijn ontdekkingen. Maar ik geloof, dat het me nu gemakkelijk zou vallen hen in woorden weer te geven. Het essentiële is het toevallige. Ik wil, bij definitie zeggen, dat het bestaande niet het noodzakelijke is. Bestaan is eenvoudig er zijn: de dingen, die bestaan, verschijnen, vertonen zich, maar men kan hen nooit herleiden. Ik geloof dat er mensen zijn, die dat begrepen hebben. Zij hebben allen geprobeerd die toevalligheid te overwinnen, door een noodzakelijkheid uit te vinden, die haar rechtvaardiging in zichzelf draagt. Maar geen noodzakelijk wezen kan het bestaande verklaren: de toevalligheid is geen valse schijn, een verschijning, die men kan laten verdwijnen; het is het absolute, bij gevolg het volkomen zinloze. Alles is zinloos, die tuin, deze stad en ikzelf. Wanneer men zich daar rekenschap van geeft, raakt zo iets je tot in de kern en begint alles te vervloeien.........”

Hierna probeert hij de bewegingen van de wind in de takken te volgen om de ‘overgang’naar het bestaan te kunnen zien, maar het krioelt van bestaansvormen aan de uiteinde van de takken, die zich “onophoudelijk hernieuwen, maar nimmer geboren worden”.
De dingen hebben er geen lust in om te bestaan, maar zij kunnen het niet verhinderen.
Hij concludeert met de prachtige volzin: “Al het bestaande ontstaat zonder reden, blijft in stand uit zwakheid en sterft terloops.”

Wellicht (hopelijk?) is dit existentialistisch standpunt niet helemaal de eindconclusie van Sartre.

DT – Zie de onderstrepingen die ik aanbracht – Het zien is meestal een denken. Als het denken werkelijk wegvalt, wordt dat wat zich vertoont chaotisch, onherleidbaar, zinloos, juist omdat het geen vaste structuur en geen kader van zinvolheid krijgt. De verschijnselen komen zomaar op en verdwijnen zomaar.
Als dit type ervaring optreedt is, is de vaste denkconstructie van het ervarene (grotendeels) verdwenen. Dat geldt ook voor jezelf als degene die de ervaring heeft. De aspecten van je die je ervaart, zijn ook onherleidbaar, zinloos, tenzij je er weer een kader omheen zet waarin ze zinnig worden. Hier gaat het om het wegvallen van alle kaders, en dat gebeurt vroeg of laat bij verlichting.

Wanneer de hoofdpersoon de tuin verlaat, legt hij hem de volgende woorden in de mond:

“Ik stond op en ging heen. Bij het hek heb ik mij omgedraaid. Toen heeft de tuin tegen mij geglimlacht. Geleund tegen het hek heb ik lange tijd gekeken. De glimlach van de bomen, van het bos laurierbomen, wilde iets zeggen; dat was het ware geheim van het bestaan. Ik herinner mij dat ik op een zondag, niet langer dan drie weken geleden, over de dingen reeds iets van medeplichtigheid vastgesteld had. Richtte die glimlach zich tot mij? Gehinderd voelde ik, dat ik geen enkel middel bezat om te begrijpen. Geen enkel. Toch was het er, verwachtend, en het leek op een blik. Het was er, op de stam van de kastanjeboom..., het was de kastanjeboom. Dingen, men zou zeggen gedachten, die onderweg stilhielden, die zichzelf vergaten, die vergaten wat zij hadden willen denken en die bleven als dit, heen en weer geslingerd, met een grappige, kleine betekenis, die hun te boven ging. Die kleine betekenis ergerde me: Ik kon haar niet begrijpen, zelfs niet wanneer ik honderd-en-zeven jaar tegen het hek geleund zou blijven staan; ik had over het bestaan alles vernomen wat ik er van vernemen kon. Ik ben vertrokken, teruggekeerd in het hotel en heb toen dit geschreven.

Is hier sprake van een (beginnende?) verlichting?
Misschien kunt u er na het reces in advaitapost eens iets over schrijven?

Ik zou graag willen weten of de hoofdpersoon van Sartre helemaal "miskleunt" of dat er wel iets goeds in zijn aanpak zit.

Henk Ruijsch

DT – Zie boven: het wegvallen van alle kaders is een aspect van verlichting. Dat gebeurt bij de hoofdpersoon van ‘De walging’ voor een groot gedeelte. Er blijft voor hem echter de ‘walging’, de uitnodigende ‘glimlach’ van de dingen die iets wil zeggen zonder te zeggen wat, een ik dat voelt, zich ergert en vertrekt.
Een ander aspect van verlichting is echter het doorzien van de hele situatie. Dat betreft ook de genoemde noties die bij de hoofdpersoon aanblijven. Als werkelijk alles in betekenis wegvalt, valt elke grens weg tussen zelf-zijn en de dingen én is er inzicht in de relatieve zinvolheid die er in de menselijke situatie is. Dan is er acceptatie van wat zich toont, geen walging, en een herkennen van dat wat zich toont als niet verschillend van jeZelf.

Bijlage
Douwe Tiemersma
Mediteren Leren 1
Jezelf en de wereld herkennen als Openheid

Uitgeverij Advaita Centrum, Leusden
ISBN 90 805739 65 / NUGI 613, 621.
72 blz. Prijs: € 12,-
Te bestellen bij Uitgeverij Advaita Centrum tel. 033-4944763, uitgeverij en door overmaking van het bedrag op 38.68.78.110 t.n.v. Uitgeverij Advaita Centrum, Leusden.

Zoals de titel van dit boek al aangeeft, gaat het hier om een handleiding bestemd voor ieder die wil leren mediteren. Wie het boek heeft door­gewerkt - dat wil zeggen, de instructies heeft gelezen en de oefeningen heeft gedaan - die zal merken dat het mediteren zelf ook een vorm van leren is. Je leert met name de processen van je eigen geest kennen; de onstuimigheid, de stug­heid en de helderheid die er kan zijn. Je leert ook met welke meditatiemethode het inzicht in die mentale processen het meest is gediend.
De methoden die in dit boek uiteengezet worden zijn betrekkelijk eenvoudig, de terminologie is nergens duister en de oefeningen die er in beschreven worden blijken effectief. Tiemersma knoopt aan bij hetgeen de meeste mensen moti­veert om met meditatie te beginnen: een zekere onvrede met de situatie waarin men zich bevindt en een notie van de situatie waar naar wordt ver­langd. Hij nodigt uit om na te gaan wat de beperkingen zijn die verhinderen dat het doel van de meditatie wordt bereikt en om te ontdek­ken hoe deze beperkingen in de loop van het meditatieproces kunnen worden opgeheven. In de regel zal het beeld van de situatie waarin men verkeert en van de situatie waar naar wordt gestreefd steeds scherper worden. Aangeraden wordt om regelmatig na te gaan welke lijnen in het meditatieproces zijn te ontdekken en die lijnen dan door te trekken naar mogelijke volgende ontwikkelingen.
In het boek wordt aandacht besteed aan de voorbereiding op de meditatie en op de factoren die de meditatie beïnvloeden: plaats, tijd, licha­melijke conditie, etc. In het slothoofdstuk wor­den enkele veel voorkomende problemen besproken: lichamelijke klachten, sufheid, ruste­loosheid etc. Het zal duidelijk zijn dat in veel gevallen een gesprek met een ervaren meditatieleraar nodig zal zijn om de problemen op te los­sen. Een leraar kan je helpen om er achter te komen waar je je hebt laten afleiden en waar je in de eigenaardigheden van je egostructuur bent vastgelopen.
Tiemersma gebruikt dit boek bij meditatiecursussen die hij geeft in het Yogacentrum De Ruimte in Gouda. Zou het ook voor anderen van nut kunnen zijn? Ik denk van wel. De oefeningen zelf kunnen best zonder leraar worden uitgevoerd. De oefeningen zijn bovendien ontleend aan meditatietechnieken van uiteenlopende tradities. Zowel Boeddhistische aandachtsmeditatie als oefeningen uit Hindoeïstische jnana- en bhaktiyoga komen ter sprake. Men kan dus al doende vaststellen met welke methode men de meeste affiniteit heeft en op grond daarvan de leraar kiezen met wie men zijn meditatie zou willen vervolgen.
Kees Boukema, Weesp
in: ‘Tijdschrift voor Yoga’ 2002 nr. 2, p. 67

Er is geen tweeheid

als je ontspannen bent
in zelf-bewustzijn
is dat duidelijk.


  • Advaita Vedanta - de vraag naar het zelf-zijn

    De actuele vraag ‘wie we eigenlijk zijn’ was het onderwerp van een symposium aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op 18 september 2000, waarin vooral de oude Upanishaden en de Advaita Vedânta aan het woord kwamen.

  • De elf grote Upanishaden


    De Upanishaden vormen de grondslag van een groot gedeelte van de Indiase filosofie. Ze worden ‘Vedânta’ genoemd, dat is het einde en de culminatie van de Veda’s. De wijsheid die in de teksten naar voren komt is nog steeds een onschatbare bron, zowel in India als daarbuiten. Centraal staat daarin de visie en zijnservaring dat de kern van zelf-zijn identiek is aan de grondslag van wereld en universum.
    In dit boek is een groot gedeelte van de belangrijkste Upanishaden (8e-6e eeuw v.Chr.) opgenomen.

  • Openingen naar Openheid

    In dit boek zijn ruim 120 korte teksten verzameld die openingen bieden naar die openheid. Deze blijkt uiterst eenvoudig te zijn. De teksten zijn stukjes van leergesprekken, bedoeld als stimuli om de aandacht te richten op openheid, iets daarvan te laten zien en zo de realisatie van openheid een grotere kans te geven. Ze vormen samen de essentie van het onderricht in non-dualiteit.

  • Pranayama

    Dit boek is een praktische handleiding bij het beoefenen van pranayama. Alle onderdelen van de traditionele pranayama komen hierbij aan bod.

Boeken

Douwe schreef en redigeerde gedurende zijn leven boeken. Via onze uitgeverij zijn deze nog verkrijgbaar.

Bekijk het aanbod