7-7 Als er maar één woord over je lippen komt, ligt je werkelijkheid op magische wijze vast en ....


Jaargang 7 nr. 7 (11 april 2006)




Dat is mooi, hè?
Tekst

Uit een gesprek op 7 december 2005 te Gouda – deel 4: Vastlegging in spreken

Standpunten kunnen steeds worden gerelativeerd [zie de vorige afleveringen]. De bron van de relativering is niet te vinden. Het is goed om dat heel concreet te zien.
Elke keer als je maar íets zegt, als er maar één woord over je lippen komt: páng! Als je niet oplet, ligt je werkelijkheid vast en zit je zelf vast. Dat is de magie van het woord.

Bedoel je dat je wat je zegt als waarheid ziet?
Ja, maar niet in de zin dat je je daarvan bewust bent. Kijk, bijvoorbeeld, naar zo’n gewone uitspraak: gister heb ik toch zoiets leuk beleefd! Wat zit er allemaal wel niet impliciet in zo’n zinnetje: onder andere dat er een ‘ik’ is, dat onderworpen is aan de tijd van gisteren, vandaag, morgen, dat ‘ik’ ín een situatie zit waarin het allerlei dingen beleeft, dat het een standpunt heeft en een lichaam waarmee het dingen kan beleven, dat het situaties beoordeelt op leuk of niet-leuk, enzovoort, enzovoort. In de woorden zit een hele wereld en die wordt op een radicale manier geaccepteerd, omdat zij als vanzelfsprekend wordt voorondersteld. Moet je eens kijken wat een aanname: dát er een gister was, dat je er gisteren zelf was. Ga er maar naar kijken wat dat betekent. Als je dan ook nog zegt: ‘Ik ben nu zó doordat ik gisteren zó was’, nu, dan zit je helemáál vast. Dus de tijd en oorzaak-gevolg zijn van die vanzelfsprekende fundamentele noties die heel beperkend werken.

Ja maar, ze werken toch alleen maar beperkend als je erin gelooft? Ze werken toch niet als communicatiemiddel?
Ik sprak nu over het alledaagse leven waarin bij het spreken vrijwel altijd een zekere werkelijkheid geïmpliceerd wordt.

Dat je van dat standpunt uit gaat.
Dat standpunt en de erbij horende wereld zijn meestal vanzelfsprekend. Pas als die vanzelfsprekendheid echt is doorbroken, kun je van alles zeggen zonder het vanzelfsprekende geloof in een bepaalde werkelijkheid. Dan maakt het niet meer uit. Maar, het is goed om te ontdekken dat in het gewone alledaagse spreken al zoveel wordt vastgelegd. Dat gebeurt meestal op zo’n vanzelfsprekende manier dat niemand er over nadenkt. De meeste uitspraken worden als zinnig gezien, maar wat zinnige uitspraken zijn, is sociaal bepaald. En dat bepaalt elk individu.
Ik, jij, hij, zij, wij, jullie, zij: het zijn allemaal categorieën die de werkelijkheid vastleggen. Ze zijn voor volwassenen hier in het Westen zo vanzelfsprekend. In het Japans en in vele andere talen kennen ze het woordje ‘ik’ niet of nauwelijks. Dan heb je een heel andere categorisering van je werkelijkheid, een ander denksysteem, een ander perspectief. Kleine kinderen worden opgevoed tot het perspectief van de ouders. ‘Ga jij de bal halen?’ Kleinzoontje: ‘Jij gaat de bal halen.’ ‘Oké, dat doe ik.’ ‘Nee, jíj!’ Dit kwam in de Advaita Post, omdat het zo frappant is. Kleine kinderen weten eerst geen weg met de indeling en etiketten die volwassenen aanbrengen. De laatsten zeggen: het zijn maar kleine kinderen; die snappen nog weinig. Maar, de zaak ligt veel fundamenteler. De beleveniswereld wordt een bepaald patroon opgelegd: ‘jij’ bent niet ‘ik’ en ‘ik’ ben niet ‘jij’. ‘Jij’ gaat de bal halen. Daar snapt een kind niks van. Wat gebeurt er in de beleveniswereld van zo’n kind als die structurering doorgaat?

Ja, ouders ‘verbeteren’ steeds, hè? Dat heb ik ook gedaan.
Ja, we zeggen dat kinderen goed moeten worden opgevoed. Natuurlijk zullen kinderen de conventies moeten leren, de onderscheidingen. Het zou mooi zijn als ze er niet volledig in verstrikt raken, als ze het spelkarakter niet volledig verliezen, dat ze de uitspraken niet te ernstig nemen.

Douwe Tiemersma


Er is geen tweeheid

als je ontspannen bent
in zelf-bewustzijn
is dat duidelijk.


  • De bron van het zijn

    ‘Wat was mijn toestand, voordat er ervaring was? Wie was er om op deze vraag te antwoorden? … dat Ik dat geen vorm heeft en zichzelf niet kent als ik ben.’

  • Meditatieboekje

    Korte teksten die je meenemen naar openheid

  • Naar de Openheid

    De teksten in dit boek zijn geschreven op basis van gesprekken gehouden te Gouda, aangevuld met enkele gedichten en korte teksten met illustratie. 
    Als uitgangspunt dienen steeds bekende gegevens en situaties, waarin verwijzingen zitten naar dat wat niet te beschrijven is, maar dat hier Openheid wordt genoemd.

  • De elf grote Upanishaden


    De Upanishaden vormen de grondslag van een groot gedeelte van de Indiase filosofie. Ze worden ‘Vedânta’ genoemd, dat is het einde en de culminatie van de Veda’s. De wijsheid die in de teksten naar voren komt is nog steeds een onschatbare bron, zowel in India als daarbuiten. Centraal staat daarin de visie en zijnservaring dat de kern van zelf-zijn identiek is aan de grondslag van wereld en universum.
    In dit boek is een groot gedeelte van de belangrijkste Upanishaden (8e-6e eeuw v.Chr.) opgenomen.

Boeken

Douwe schreef en redigeerde gedurende zijn leven boeken. Via onze uitgeverij zijn deze nog verkrijgbaar.

Bekijk het aanbod