Andrew O. Fort, ‘Alle genoegens voorbij: Shankara over gelukzaligheid’


Journal of Indian Philosophy 16 (1988), Kluwer Academic Publishers, pp. 177-189


Het begrip gelukzaligheid (ananda) heeft in Advaita Vedanta niet de betekenis van plezier of extase. Volgens Shankara valt gelukzaligheid alleen hen ten deel die door middel van onthechting aan alle verlangens ontstegen zijn.
De gelukzaligheid van Brahman wordt volgens Shankara ook niet ’genoten’ of ’ervaren’ op de manier van tijdelijke, aan ons lichaam gebonden, genoegens. Shankara is van mening dat men de hoogste gelukzaligheid niet kan ervaren, zelfs niet als men verlicht is, omdat een dergelijke gelukzaligheid geen aspect van Brahman is dat een subject op de manier van een object zou kunnen ervaren. Gelukzaligheid is Brahman en Brahman is gelukzaligheid.
Volgens de leer van Advaita Vedanta is gelukzaligheid nog het best te vergelijken met de diepe, droomloze slaap. Shankara beklemtoont de overeenkomst tussen slaap en gelukzaligheid echter niet al te zeer, want ook slaap is nog dualistisch en te zeer vervuld van onwetendheid.
In tegenstelling tot andere stromingen in het Indiase denken moeten Shankara en de zijnen niets hebben van de vergelijking tussen gelukzaligheid enerzijds en liefde en/of een seksuele eenheidservaring anderzijds. Onthechting en afzien van wereldse genoegens vormen de enige weg naar de realisatie van de gelukzaligheid van het niet-duale Brahman.
Na deze inleidende opmerkingen wordt nader ingegaan op Shankara’s commentaar op de Upanishaden.

Gelukzaligheid in de Taittiriya Upanishad
Onophoudelijk benadrukt Shankara dat gelukzaligheid het gevolg is van onthechting en van het vrij zijn van verlangens en niet van het trachten te bevredigen van verlangens. De hoogste gelukzaligheid is tegengesteld aan de veranderlijke, wereldse verlangens, die allemaal betrekking hebben op de wereld der tegenstellingen.
Shankara verwijst voortdurend naar Brahman, ook als gelukzaligheid het eigenlijke onderwerp van een bepaalde passage lijkt te zijn. Als de Upanishad hoog opgeeft van gelukzaligheid, dan is volgens Shankara Brahman, de ultieme werkelijkheid, het eigenlijke onderwerp.

Gelukzaligheid in de Brihadaranyaka Upanishad
Ook hier benadrukt Shankara dat de hoogste vorm van gelukzaligheid identiek is aan het non-duale Brahman en dat men dit bereikt door vrij te worden van verlangens. Andere vormen van gelukzaligheid die wel ’ervaarbaar’ zijn, vormen een hiërarchie, die echter altijd nog deel uitmaakt van de dualistische wereld der verlangens.

Gelukzaligheid in de Brahma Sutra
Shankara ziet Brahman als de hoogste gelukzaligheid en Brahman is het eigenlijke onderwerp in het geval dat gelukzaligheid ter sprake komt. Anandamaya, de sluier (sheath) bestaande uit gelukzaligheid, is de meest innerlijke sluier van het zelf en kan mensen er toe brengen om de hoogste gelukzaligheid na te streven. Maar omdat er bij Anandamaya nog sprake is van een sluier, is ze nog dualistisch van aard en niet Brahman zelf.
Er bestaan dus klaarblijkelijk graden van gelukzaligheid, maar in laatste instantie is de hoogste gelukzaligheid Een en niet op conventionele wijze kenbaar. De vormen van gelukzaligheid die wij kennen zijn werelds van aard en gebonden aan objecten en zintuigen. Het pad naar de hoogste gelukzaligheid begint met het zich onthouden van misstappen en met het bestuderen van de Veda’s, maar een volledige realisatie is afhankelijk van onthechting en vrij zijn van lagere, menselijke verlangens. Dus, volgens de normen van alledag, is het geen genoegen om de gelukzaligheid te bereiken.

(J.C.)




Er is geen tweeheid

als je ontspannen bent
in zelf-bewustzijn
is dat duidelijk.


  • De ander en ik

    Dit boek bevat de lezingen en enkele andere teksten van het 2e Advaita Symposium over de relatie van 'de ander en ik'. De vragen kwamen aan de orde: Wat is de aard van de ander; in hoeverre of in welke zin verschilt de ander van mij en in hoeverre vormen wij een eenheid? De bespreking van deze vragen kon een verheldering geven van problematieken als ‘de aard van het zelf’, ‘de mogelijkheid van communicatie’ (in hoeverre kunnen wij elkaar begrijpen?), ‘de grondslagen van ons morele gedrag’ en ‘de ander als leraar’.

  • Non-dualiteit - de grondeloze openheid

    Non-dualiteit is niet-tweeheid (Sanskriet: a-dvaita), de afwezigheid van scheidingen. Deze openheid vormt de kern van elke spiritualiteit en mystiek. Maar wat is non-dualiteit nu precies? Daarover gaat het nieuwe boek van Douwe Tiemersma. In zijn vorige boeken stond de non-dualiteit ook al centraal, maar nu laat hij stap voor stap zien wat non-dualiteit in de eigen ervaring betekent. Iedereen blijkt die ervaring te kennen en te waarderen.

  • Naar de Openheid

    De teksten in dit boek zijn geschreven op basis van gesprekken gehouden te Gouda, aangevuld met enkele gedichten en korte teksten met illustratie. 
    Als uitgangspunt dienen steeds bekende gegevens en situaties, waarin verwijzingen zitten naar dat wat niet te beschrijven is, maar dat hier Openheid wordt genoemd.

  • De elf grote Upanishaden


    De Upanishaden vormen de grondslag van een groot gedeelte van de Indiase filosofie. Ze worden ‘Vedânta’ genoemd, dat is het einde en de culminatie van de Veda’s. De wijsheid die in de teksten naar voren komt is nog steeds een onschatbare bron, zowel in India als daarbuiten. Centraal staat daarin de visie en zijnservaring dat de kern van zelf-zijn identiek is aan de grondslag van wereld en universum.
    In dit boek is een groot gedeelte van de belangrijkste Upanishaden (8e-6e eeuw v.Chr.) opgenomen.

Boeken

Douwe schreef en redigeerde gedurende zijn leven boeken. Via onze uitgeverij zijn deze nog verkrijgbaar.

Bekijk het aanbod