Thomas A.Forsthoefel, ‘De Viveka-Chudamani weer zijn juiste plaats geven'

de polen van het religieuze weten

Philosophy East & West, Volume 52, No 3, July 2002, pp. 311-325


Recentelijk heeft de epistemologie van de religieuze ervaring bredere opvatttingen van kennis onderzocht met de bedoeling om de status van de kennis op het gebied van de religieuze ervaring vast te stellen. Tezelfdertijd zijn wetenschappers in dit tijdschrift in een levendig debat verwikkeld met betrekking tot de epistemologische status van het begrip religieuze ervaring (anubhava) bij Shankara. In dit artikel wil de auteur een poging doen om deze projecten te combineren door de begrippen ’externalisme’ en ’internalisme’, afkomstig uit de hedendaagse engelstalige epistemologie, toe te passen op een post-Shankara tekst, de Viveka-Chudamani.
Internalisme wil zeggen dat de relevante epistemologische processen intern zijn en derhalve direct toegankelijk voor een subject. Wat is het dan dat intern is? Gewoonlijk zijn de belangrijkste kandidaten: de fundamentele overtuigingen die iemand er op na houdt, de overtuigingen met betrekking tot de staten van waarneming en de staten van waarneming zelf. Alle drie zijn van belang voor analyses van Advaita, maar vooral de laatste, omdat Advaita gewoonlijk er van uitgaat dat een gezaghebbende, zichzelf bevestigende en onweerlegbare ervaring van de non-duale realiteit door middel van introspectie mogelijk is. Anderzijds houdt externalisme in dat op zijn minst enige van deze processen niet intern toegankelijk zijn, ze zijn extern voor een subject, met de daaruit resulterende kans op onzekerheid. Teksten, traditie en de leraar zijn nodig om zekerheid te krijgen.
Forsthoefel wil laten zien dat de Viveka-Chudamani fluctueert tussen de polen van internalisme en externalisme, met aanzienlijke sociale en epistemologische consequenties. Wanneer de externalistische pool de overhand heeft, dan wordt de in dit boek gepresenteerde versie van Advaita schatplichtig aan een plaatsgebonden cultuur van brahmaanse oorsprong. Als men geen oog heeft voor deze behoorlijke portie externalisme dan wordt het gebruik van deze tekst, op de manier van latere apologeten van neo-advaitische snit, problematisch, om niet te zeggen incoherent.
Vanwege haar metafysica en de daarmee samenhangende introspectieve weg om de ultieme waarheid te bereiken, zet Advaita, op zijn minst in ’theorie’, de poort uitnodigend open voor een internalistische interpretatie. Dit heeft, op zijn minst gedeeltelijk, bijgedragen aan de manier waarop Advaita wordt gebruikt om een universalistische versie van ’Hindoeïsme’ te produceren. In de praktijk echter is de theorie van Advaita ingebed in een specifieke context en onderworpen aan sociaal ingeburgerde praktijken die naar bevrijding leiden. Dit heeft twee implicaties voor de analyse van de religieuze ervaring, de een van epistemologische, de ander van sociale aard.
De epistemologische implicatie is dat we in het geval van Advaita ’religieuze kennis’ niet afgezonderd van de mechanismen die het ’produceren’ en staven kunnen evalueren. Deze conclusie betekent werk aan de winkel voor godsdienstfilosofen : er moeten betrouwbare criteria ontwikkeld worden om causale processen te evalueren en vervolgens kan men deze criteria dan op de specifieke tradities gaan toepassen. Dit veronderstelt, naast empirische arbeid, ook veel filosofische arbeid, maar kan rijke vruchten dragen op het gebied van filosofische antroplogie en metafysica.
De sociale implicatie van deze visie op Advaita is dat in de mate waarin de externalistische pool meer nadruk krijgt, er aan de universalistische aspecten van Advaita afbreuk wordt gedaan. Hoewel het de reikwijdte van dit artikel te buiten gaat, merkt de auteur op dat bij de vorm van Advaita zoals die door Ramana Maharshi gepropageerd wordt, de metafysische theorie en het epistemologisch internalisme beter op elkaar aansluiten, waarmee deze vorm van Advaita dan ook losser komt te staan ten opzichte van een specifieke culturele context. In de vorm van Advaita zoals die in de Viveka-Chudamani verwoord wordt, is deze spanning tussen internalisme en externalisme echter volop aanwezig.
Enerzijds relativeren vele passages in de Viveka-Chudamani de waarde van ’traditie’ of ’cultuur’ op weg naar bevrijding, daarmee geloofwaardigheid verlenend aan een universalistische heilsleer met een internalistische epistemologie. Dit uitgangspunt maakt de weg vrij voor een bijzonder soort ervaring (anubhava), die zowel authentiek als zelfbevestigend is. Echter, bij een nauwkeuriger lezing van de Viveka-Chudamani, ontdekt men dat een dergelijke zelf-evidente, onafhankelijke ervaring op indringende wijze door teksten en leraren is gemodelleerd. Dit alles verraadt een zekere ambivalentie in de Viveka-Chudamani.Enerzijds wordt de stelling uitgedragen dat we allemaal verlicht zijn en dat culturele patronen louter projecties (viksepa) van onwetendheid (avidya) zijn. Dit is de retoriek van het universalisme, een bevrijdingsleer ’bevrijd’ van zijn sociale context. Anderzijds wordt op ondubbelzinnige wijze de traditionele waarde en het culturele programma van training en transmissie onderschreven. Door de woorden en, nog beter, door de daden van de guru wordt de leerling aangemoedigd om te volharden in de bijzondere constructie van een wereld die, in het geval van Advaita, zo duidelijk in strijd is met de intuïtie. De anubhava of ultieme ervaring is dus het resultaat van een ’intellectuele therapie’, welke voorafgaat aan de transformatie van hart en geest. De conclusie is derhalve gewettigd dat het schijnbare universalisme van de Viveka-Chudamani diep geworteld is in een specifieke, culturele context.
De epistemologie van de religieuze ervaring in de Viveka-Chudamani oscilleert derhalve tussen een internalistische en een externalistische pool. Het proces dat tot inzicht leidt is overwegend internalistisch, maar het wordt ondersteund door vele voorbereidende maatregelen van externalistische aard. Op het terrein van de beoordeling van het waarheidsgehalte van deze inzichten spelen de externalistische elementen echter een veel belangrijker rol. Terwijl wijzen en heiligen, aan wie zelfrealisatie ten deel is gevallen, misschien weinig belang hechten aan een externe beoordeling van hun inzichten, hebben de aanspraken die voortvloeien uit een dergelijke bevrijdende ervaring wel degelijk een groot epistemologisch belang. Hier is een belangrijke rol weggelegd voor filosofen op het gebied van religie en voor theologen, met name in deze tijd van toenemende wederzijdse culturele beïnvloeding en religieus pluralisme.


Opmerkingen J.C.
De auteur maakt een onderscheid tussen internalistische en externalistische elementen. Maar waar precies ligt de scheiding tussen de uitwendige en door mij geïnternaliseerde traditie? Waar precies ligt de grens tussen de letters op papier en mijn lezing ervan? Wat is de werkelijke guru en wat is slechts mijn projectie? Het feit dat het verschil tussen binnen en buiten niet eenduidig is te bepalen is voor mij voldoende reden om op zoek te gaan naar een waarheid die deze tegenstellingen te boven gaat. Een waarheid die door een leerling, al dan niet met behulp van een leraar, geconstrueerd moet worden, voldoet daar zeker niet aan. Het is precies de belofte van een waarheid die elke constructie en deconstructie te boven gaat die me keer op keer naar boeken als de Viveka-Chudamani doet grijpen.


(J.C.)



Er is geen tweeheid

als je ontspannen bent
in zelf-bewustzijn
is dat duidelijk.


  • Advaita Vedanta - de vraag naar het zelf-zijn

    De actuele vraag ‘wie we eigenlijk zijn’ was het onderwerp van een symposium aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op 18 september 2000, waarin vooral de oude Upanishaden en de Advaita Vedânta aan het woord kwamen.

  • De elf grote Upanishaden


    De Upanishaden vormen de grondslag van een groot gedeelte van de Indiase filosofie. Ze worden ‘Vedânta’ genoemd, dat is het einde en de culminatie van de Veda’s. De wijsheid die in de teksten naar voren komt is nog steeds een onschatbare bron, zowel in India als daarbuiten. Centraal staat daarin de visie en zijnservaring dat de kern van zelf-zijn identiek is aan de grondslag van wereld en universum.
    In dit boek is een groot gedeelte van de belangrijkste Upanishaden (8e-6e eeuw v.Chr.) opgenomen.

  • Naar de Openheid

    De teksten in dit boek zijn geschreven op basis van gesprekken gehouden te Gouda, aangevuld met enkele gedichten en korte teksten met illustratie. 
    Als uitgangspunt dienen steeds bekende gegevens en situaties, waarin verwijzingen zitten naar dat wat niet te beschrijven is, maar dat hier Openheid wordt genoemd.

  • Openingen naar Openheid

    In dit boek zijn ruim 120 korte teksten verzameld die openingen bieden naar die openheid. Deze blijkt uiterst eenvoudig te zijn. De teksten zijn stukjes van leergesprekken, bedoeld als stimuli om de aandacht te richten op openheid, iets daarvan te laten zien en zo de realisatie van openheid een grotere kans te geven. Ze vormen samen de essentie van het onderricht in non-dualiteit.

Boeken

Douwe schreef en redigeerde gedurende zijn leven boeken. Via onze uitgeverij zijn deze nog verkrijgbaar.

Bekijk het aanbod