Walter O. Kaelber, Tapas en zuivering in het vroege hindoeïsme


Numen 26 (1979), 192-214


Zuivering speelt in elke religie een belangrijke rol. Dit is in het bijzonder het geval in het hindoeïsme, waar de reinigingsrituelen talrijk en gevarieerd zijn. Deze rituelen kunnen vanuit meerdere gezichtspunten bestudeerd worden, maar een historisch onderzoek moet vooral aandacht schenken aan een concept dat een centrale plaats inneemt in het Vedische denken: tapas.
Hoewel het woord tapas verschillende betekenissen kent in de Vedische literatuur, staat de connotatie “hitte” altijd centraal. Bovendien is deze hitte meestal scheppend en nieuw leven voortbrengend van aard. In de Rig Veda is tapas de drijvende kracht achter de schepping der kosmos en op individueel niveau wordt de mens spiritueel herboren door het beoefenen van tapas. Tapas is in de Veda’s echter niet alleen een scheppende, maar ook een destructieve kracht: het is een hitte die verwondt, die pijn veroorzaakt en die vernietigt. Het zijn vooral connotaties met deze negatieve kracht die het meest voorkomen in de Rig Veda.
Hoewel er in de Rig Veda meerdere goden worden aangeroepen om een destructieve op tapas gebaseerde actie tot stand te brengen, is het niet verassend dat Agni, de god van het vuur, het meest wordt aangeroepen. Agni is een tapasvin, iemand bezeten en gekarakteriseerd door tapas. Ook de op tapas gebaseerde actie van Agni is tweezijdig van aard: het slachtoffer wordt vernietigd, maar ook herboren in de hemel.
In enkele hymnen van de Rig Veda is de suggestie aanwezig dat de mens zelf middels tapas de benodigde hitte kan genereren en deze visie wordt nog versterkt in de met magie beladen wereld die door de Atharva Veda wordt geschilderd. Brahmanen kunnen daar iemand die de goden beledigd heeft te gronde richten door middel van de energie die opgewekt wordt door het doen van tapas.
Alhoewel een op tapas gebaseerde actie in de Rig Veda tegen een wijd verbreid assortiment van vijanden is gericht, is het doelwit toch in de meeste gevallen de Raksases, een groep demonen of kwade geesten. Het verdrijven van de Raksases is echter meestal direct verbonden met de zuivering van de geofferde objecten en de offerdaad zelf. Gaandeweg wordt tapas een zuiveringsmiddel zelfs als er van een dreigende aanwezigheid van Raksases geen sprake is.
Ook de referenties aan Agni in de context van het zuiveringsproces worden geleidelijk symbolisch en figuratief van aard. Tapas zelf wordt meer en meer beschouwd als de kracht die de reiniging tot stand brengt. Terwijl de nadruk gaandeweg komt te liggen op het feit dat het de mens zelf is die gezuiverd moet worden, wordt de mens zelf ook meer en meer in staat geacht om door middel van tapas zijn eigen onzuiverheid ongedaan te maken. Tapas krijgt daardoor de volgende betekenis: zelf opgelegde soberheid, ascetisme, versterving en boetedoening.
De Brahmanas leggen, als onderdeel van een uitgebreide beschrijving en uitleg van de rituelen, sterk de nadruk op de behoefte aan zuivering, vooral van degene die de offergave ten uitvoer brengt. Het is met name tijdens de Diksa, een uitgebreide en langdurige toewijding aan het offer, dat door middel van tapas de zuivering van degene die het offer brengt tot stand komt. Tijdens de Diksa wordt de menselijke conditie, een staat van onzuiverheid, overwonnen. Deze staat wordt vernietigd of weggebrand door de hitte van het ascetisme.
Een mens als mens kan geen offer brengen, alleen een god kan dat doen. Dit is de reden dat een mens tijdens de Diksa zijn menselijke vorm af moet leggen en een goddelijke vorm aan moet nemen. Er is dus een directe correlatie tussen de symbolische dood van de onzuivere menselijke conditie en het op symbolische manier binnentreden in het rijk der hemelen. Met name door te vasten wordt het menselijke en derhalve onzuivere lichaam “geconsumeerd” en tegelijk wordt er door de hitte van de tapas een goddelijk lichaam in de vorm van een altaar “opgebouwd”. Het zelf wordt opgeofferd en men gaat het rijk der hemelen binnen.
Er moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen tapas gedaan met de uitdrukkelijke bedoeling om de menselijke conditie per se te overwinnen en tapas gedaan als boetedoening om specifieke misstappen goed te maken. Met name in de latere literatuur verschuift de nadruk richting de tweede optie. Meer en meer wordt de nadruk gelegd op het inventariseren van specifieke wandaden, op het in kaart brengen van de onzuiverheden die deze misstappen met zich meebrengen en op het catalogiseren van de verschillende vormen van boetedoening die bij elke specifieke “zonde” horen. De belangrijkste praktijken die de menselijke onzuiverheden weg kunnen nemen zijn: vasten, pranayama (ademhalingsoefeningen) en svadhyaya (het reciteren van de Veda’s).
In de latere literatuur wordt de waarde van tapas zo hoog aangeslagen dat daardoor niet enkel onzuiverheden ongedaan gemaakt kunnen worden, maar ze kunnen door het doen van tapas zelfs voorkomen worden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Manu stelt: “De rishi’s, aan wie de Veda’s zijn geopenbaard, hebben verklaard dat de gelukzaligheid van zowel goden als mensen van begin tot eind doordrenkt is met het doen van tapas”.

(J.C.)

Er is geen tweeheid

als je ontspannen bent
in zelf-bewustzijn
is dat duidelijk.


  • Management en non-dualiteit

    In bedrijven en organisaties is meer aandacht gekomen voor de oriëntatie op samenhang, eenheid, heelheid, ongescheidenheid, kortom: non-dualiteit. Wat betekent deze ‘niet-tweeheid’ en op welke wijze kan zij in het eigen werk en in de organisatie doorwerken? Deze vragen staan in dit boek centraal.

  • Openingen naar Openheid

    In dit boek zijn ruim 120 korte teksten verzameld die openingen bieden naar die openheid. Deze blijkt uiterst eenvoudig te zijn. De teksten zijn stukjes van leergesprekken, bedoeld als stimuli om de aandacht te richten op openheid, iets daarvan te laten zien en zo de realisatie van openheid een grotere kans te geven. Ze vormen samen de essentie van het onderricht in non-dualiteit.

  • De elf grote Upanishaden


    De Upanishaden vormen de grondslag van een groot gedeelte van de Indiase filosofie. Ze worden ‘Vedânta’ genoemd, dat is het einde en de culminatie van de Veda’s. De wijsheid die in de teksten naar voren komt is nog steeds een onschatbare bron, zowel in India als daarbuiten. Centraal staat daarin de visie en zijnservaring dat de kern van zelf-zijn identiek is aan de grondslag van wereld en universum.
    In dit boek is een groot gedeelte van de belangrijkste Upanishaden (8e-6e eeuw v.Chr.) opgenomen.

  • Satsang

    Dit boek is een bloemlezing van satsangs gehouden door Douwe Tiemersma. Bijeenkomsten waarin hij als advaitaleraar de kern van het advaita inzicht doorgeeft.

Boeken

Douwe schreef en redigeerde gedurende zijn leven boeken. Via onze uitgeverij zijn deze nog verkrijgbaar.

Bekijk het aanbod