W.H. van Vledder, Het mysterie van het zelf - Upanishaden


Uitgeverij Ankh-Hermes 2000, ISBN 90-202-1955-3, f 54,-

Verscheen in InZicht 2 nr. 2 (mei 2000), p. 37-38

Na de Nederlandse uitgave van de Upanishaden van J.A. Blok en die van de School voor Filosofie ligt er nu een nieuwe vertaling. De teksten zijn het meer dan waard om opnieuw onder de aandacht van het publiek te worden gebracht. De Upanishaden worden de Vedanta genoemd: het einde en het hoogtepunt van de Veda's. Een opvallende eigenschap van deze teksten is de interesse in de uiteindelijke waarheid van de wereld en van de menselijke persoon. Vaak wordt uitgegaan van de oudere delen van de Vedische literatuur die te maken hebben met het ritueel van het vuuroffer. Deze teksten worden dan symbolisch geïnterpreteerd en filosofisch-existentieel uitgewerkt, bijvoorbeeld rond vragen over het voortbestaan na de dood en over de oorsprong van alles. Op vele plaatsen wordt de identiteit van het hoogste zelf (Âtman) en de grondslag van alle bestaan (Brahman) geleerd. Dit zijn prachtige teksten, bijvoorbeeld van de vader die zijn zoon Svetaketu op praktische wijze het hoogste onderricht geeft en dan besluit met (in de vertaling van Van Vledder): 'dat aldoordringende Ene-Zijn, dat is de grondslag van het bestaan, dat is de Werkelijkheid, dat is het Âtman. Dat ben jij, Svetaketu.'
Deze leer van de nondualiteit is echter niet overal duidelijk in de Upanishaden, zodat latere Vedantascholen zich overal kunnen opstellen tussen de polen van dualisme (dvaita) en nondualisme (advaita). Deze variatie is ook nog in onze tijd duidelijk, ook in de vertalingen. De heer Van Vledder nam kort geleden afscheid van de Leidse universiteit als bijzonder hoogleraar vanuit een theosofische stichting. Zijn ideeën en zijn taalgebruik zijn die van de theosofie. Zo gaat hij mee met mevrouw Blavatsky in de mening dat de leer van de Upanishaden zo oud is als de mensheid. Voor 'Brahman' gebruikt hij vaak 'God', voor 'Âtman' vaak 'de inwonende God', 'de goddelijke Levenskracht' of in de Verklarende woordenlijst aan het begin van het boek 'De goddelijke vonk in de mens, Brahman in de individuele mens'. Toch betekent 'Âtman' alleen maar 'zelf'. Overal is de religieuze taal aanwezig. Het enkelvoudige zelf-zijn wordt het zijn van god, de bevrijdingsweg een godsdienst. Na de boven geciteerde hoogste waarheid van de identiteit van het zelf en het absolute Brahman, uitgelegd door de vader van Svetaketu, gaat Van Vledder door: 'Als dat besef eenmaal is doorgedrongen in het bewustzijn van de zoeker naar Waarheid, dan begint de lange Weg, die de mens terugvoert naar de hoogste Godheid.' Dat is mystificerend taalgebruik, dat al begint met de titel: 'Het mysterie van het zelf'. Dat is ontzettend jammer, omdat dat mensen onnodig afsluit voor de eenvoudige, heldere waarheid van het zelf.
Van Vledder heeft zijn vertaling uitsluitend gemaakt op grond van de beschikbare vertalingen van de Upanishaden in de moderne talen. Zo'n vertaling van vertalingen geeft grote risico's, vooral als de vertaler zich een grote vrijheid veroorlooft. Van Vledder liet zich leiden door de criteria van toegankelijkheid, leesbaarheid en poëtische schoonheid. Vooral bij de indirecte vertaling is de kans dan groot dat de persoonlijke beïnvloeding door de vertaler sterk wordt. Dat hebben we boven vastgesteld. De eenzijdigheid kan zover worden doorgevoerd dat de vertaling gezien het Sanskriet helemaal dubieus wordt. Bijvoorbeeld 'Mahat' is niet 'het grote Zelf' en 'Purusha' niet de 'goddelijke Geest' (Katha Upanishad 1.3.11). De lezer wordt hierdoor van een goed begrip afgehouden. De indoloog C. van der Burg (V.U. Amsterdam) geeft in het dagblad Trouw (5 april jl.) op dit punt verdere kritiek.
Naast het bovenstaande moet worden gezegd dat de tekst belangwekkend blijft en goed leesbaar is, en dat zij voor een groep mensen de Upanishaden zullen ontsluiten. Nuttig voor verdere studie zijn de toevoegingen aan de hoofdtekst: de Bibliografie, de Concordantie en het Register. Het wachten is op een kritische vertaling vanuit het Sanskriet.

[DT]





Er is geen tweeheid

als je ontspannen bent
in zelf-bewustzijn
is dat duidelijk.


  • De elf grote Upanishaden


    De Upanishaden vormen de grondslag van een groot gedeelte van de Indiase filosofie. Ze worden ‘Vedânta’ genoemd, dat is het einde en de culminatie van de Veda’s. De wijsheid die in de teksten naar voren komt is nog steeds een onschatbare bron, zowel in India als daarbuiten. Centraal staat daarin de visie en zijnservaring dat de kern van zelf-zijn identiek is aan de grondslag van wereld en universum.
    In dit boek is een groot gedeelte van de belangrijkste Upanishaden (8e-6e eeuw v.Chr.) opgenomen.

  • De ander en ik

    Dit boek bevat de lezingen en enkele andere teksten van het 2e Advaita Symposium over de relatie van 'de ander en ik'. De vragen kwamen aan de orde: Wat is de aard van de ander; in hoeverre of in welke zin verschilt de ander van mij en in hoeverre vormen wij een eenheid? De bespreking van deze vragen kon een verheldering geven van problematieken als ‘de aard van het zelf’, ‘de mogelijkheid van communicatie’ (in hoeverre kunnen wij elkaar begrijpen?), ‘de grondslagen van ons morele gedrag’ en ‘de ander als leraar’.

  • Openingen naar Openheid

    In dit boek zijn ruim 120 korte teksten verzameld die openingen bieden naar die openheid. Deze blijkt uiterst eenvoudig te zijn. De teksten zijn stukjes van leergesprekken, bedoeld als stimuli om de aandacht te richten op openheid, iets daarvan te laten zien en zo de realisatie van openheid een grotere kans te geven. Ze vormen samen de essentie van het onderricht in non-dualiteit.

  • De bron van het zijn

    ‘Wat was mijn toestand, voordat er ervaring was? Wie was er om op deze vraag te antwoorden? … dat Ik dat geen vorm heeft en zichzelf niet kent als ik ben.’

Boeken

Douwe schreef en redigeerde gedurende zijn leven boeken. Via onze uitgeverij zijn deze nog verkrijgbaar.

Bekijk het aanbod