Advaita en Osho’s betekenis voor de 21e eeuw

Douwe Tiemersma

In: Nandan Bosma (red.), De wetenschap van het hart, Ganymedes Productions, Blaricum 2004

1. Inleiding 1

We hebben een hele katharsis achter de rug met de lachmeditatie. Als je je werkelijk volledig mee laat gaan met het lachen, honderd procent, ontspannen en intern helder, hoeft er niets meer te gebeuren ...

Gezien het feit dat we hier zitten en u iets van mij verwacht, zal ik toch iets zeggen. De symposiumorganisatie wilde de bespreking van de betekenis van Osho in een ruimer kader zetten. Daarom werd ik als buitenstaander gevraagd. Ik heb geaarzeld om op het verzoek in te gaan.
Ten eerste was er de aarzeling, omdat het over ‘Osho’s betekenis voor de 21e eeuw’ moest gaan en ik niet graag over leraren spreek. Centraal staat niet de leraar, maar de waarheid en de realisatie van die waarheid door degenen die daarnaar op weg zijn. Gelukkig mocht de titel van de inleiding worden veranderd. Voor mij staat de waarheid van de non-dualiteit (advaita) voorop. Bij de bespreking zal ik verwijzen naar Osho.
Ten tweede was er een aarzeling om op het verzoek in te gaan, omdat ik me in de jaren ’70 en ’80 niet zo aangetrokken voelde tot de sfeer rond Rajneesh, Bhagwan, Osho. In de tweede helft van de jaren ’70 deed ik in Amsterdam wel eens mee met dynamische en andere meditaties op de Rajneesh-boot tegenover Meditatiecentrum De Kosmos. Ik kocht af en toe de Rajneesh Nieuwsbrief en cassettebandjes. Ik merkte dat veel mensen iets hadden aan de meditaties, aan de teksten van Rajneesh, aan het verblijf in Poona. Bij mij was de aantrekkingskracht niet sterk. Ik ervoer de hele sfeer als nogal wollig en sektarisch. Wollig: door de kleding, de mala’s, de verandering in Indische namen, de goeroe-verering, het vaak te opzettelijk vrije gedrag, de grote hoeveelheid ruis in de informatie, zelfs in de, vaak humoristische en leerzame, verhalen van Rajneesh. Sektarisch: door de genoemde uiterlijkheden, de organisatie, het verschil tussen de incrowd en andere belangstellenden, het maar blijven afgeven op religies en politiek door Osho.
Zelf voelde ik me in die jaren meer aangetrokken door de directe en radicale advaita-benadering van Wolter Keers en vooral van Jean Klein. Deze benaderingsweg is vrij kaal, maar als je door het Uiteindelijke bent aangestoken zijn vormen overbodig en zelfs hinderlijk. De herkenning was erg sterk bij het lezen van I am That. Talks with Sri Nisargadatta Maharaj.2 Rond 1980 ben ik een paar keer naar Nisargadatta Maharaj in Bombay geweest. Dat was in een vliegtuig met veel Poona-gangers. In Bombay scheidden onze wegen. Ik had een eigen doel.

Nog even het volgende over de advaita-lijn van Nisargadatta Maharaj ter informatie, hoewel velen dit wel bekend is. Deze lijn is de non-dualistische traditie van de advaita vedanta, die teruggaat op de oude Upanishaden (8e -6e eeuw v.Chr.). Daarin wordt de identiteit van de essentie van zelf (Âtman) en wereld (Brahman) gesteld. Verdere kenmerken zijn de directheid en de radicaliteit van de benadering van de non-dualiteit en de nadruk op het inzicht in die non-dualiteit als de eigen werkelijkheid die altijd al aanwezig was.
Ik kom hier op terug. Enkele bekende namen in deze traditie zijn Shankara, Dattatreya, Jñaneshvara, Ramana Maharshi, Nisargadatta Maharaj en Ramesh Balsekar.
Ook bij Osho was veel, zo niet alle onderricht gericht op non-dualiteit. De benadering van Osho kent vele vormen. De waarheid van klassieke teksten uit tal van spirituele tradities bracht hij in zijn toespraken naar voren. Daarbij sloot hij zich aan bij de formuleringen van elk van die tradities, of ze nu hindoeïstisch, boeddhistisch, taoïstisch, christelijk, of nog anders waren. Terugkijkend lijkt deze pluraliteit van formuleringen en de synthese zelf een kenmerk van zijn benadering. Zijn hoogste leringen waren die van de directe non-dualiteit, advaita.
Er zijn verschillen, maar er is dus een voldoende overeenkomst om met elkaar over een aantal belangrijke punten van gedachten te wisselen. Tot die punten behoren de vraag ‘waar het nu eigenlijk om gaat’, de methode en de leraar. Aan het eind komen dan enkele conclusies, ook over de mogelijke betekenis van Osho in de 21e eeuw.

2. Zelf-meditatie

De bespreking zullen we niet meteen beginnen, want deze wordt al snel theoretisch en abstract. Het is beter deze dichtbij de concrete ervaringen te houden. Laten we beginnen met een korte meditatie, een van de meditaties die centraal staan in de advaita-benadering. De bespreking kan dan op een meer concrete manier plaatsvinden aan de hand van deze meditatie.

In de advaita gaat het om een bewustworden van je eigen situatie. Keer maar met de aandacht terug naar jezelf, eerst naar je lichamelijke sfeer. Als je naar binnen gaat, kom je bewust in je innerlijke zelf-zijn. Je keert terug naar huis en daar kun je je ontspannen. Die beweging kan verder gaan, je kunt met je aandacht verder teruggaan naar achteren, steeds verder. De lichamelijke indrukken blijken nu vóór je te liggen. Je kunt ze vóór je zien. Zelf ben je degene die ziet en daarin kun je je nog meer ontspannen. Ga nog meer achteruit, laat je nog meer ontspannen en ga opnieuw kijken hoe je situatie is. Het is gedeeltelijk de situatie van de vipassana-meditatie, waarin je de verschijnselen observeert. Bij de advaitabenadering ga je in je bewustzijn opnieuw terug naar jezelf. Je wordt je er opnieuw bewust van hoe het met je zit in je nieuwe situatie. Je stelt vast dat er een erg ruime sfeer is, dat het een sfeer van zelf-zijn is, dat het zelf-zijn nauwelijks meer vormen heeft, dat de vormen die verschijnen in de sfeer van jezelf verschijnen.
Ontspan je en keer nog verder terug naar de bron van zelf-zijn. Ervaar dat je eigen sfeer oneindig groot is. Alles is in deze zelfsfeer aanwezig, alles mag er zijn als je zelf. Er is nog een gerichtheid van de aandacht, een zelf-centrum van bewustzijn en deze conditie kan ook nog verdwijnen. Draai je maar om ... Alles valt weg. Er is een kosmisch zijn zonder centrum. Daar is het komsiche sat-chit-ananda, oneindig zijn, oneindig bewust-zijn, oneindige gelukzaligheid, liefde. Wanneer dit ijler wordt, opent zich een dimensie die nog groter is dan de kosmische sfeer, dan het kosmische ik-ben. Dat Grote vaagt de laatste ik-ben kwaliteit weg en dan valt er niets meer te zeggen. Alleen is er nog een weten van dit absolute ...

Het was een korte meditatie, maar daarin zit alles. Op heldere wijze kun je afstand nemen van het waargenomene naar achteren, die afstand kun je vaststellen en het waargenomene loslaten in de ontspanning. Dat is het ‘negatieve’ aspect van de weg: ik ben niet dit en niet dat.
Er is ook een ‘positief’ aspect waarin het zelf-zijn in de ontspanning oneindig groot wordt. Daarin wordt alles liefdevol geaccepteerd: ik heb geen grenzen, ik ben alles. Dat gaat door tot op kosmisch niveau, de grote oceaan. Dan valt alles weg, ook het ik-ben, het zijn-bewustzijn-geluk-zijn. Als het absolute open is, hoeft er niets meer te gebeuren. Voor zover er wat gebeurt of gedaan wordt, gaat dit vanzelf.

3. Waar gaat het eigenlijk om?

Bij de meditatie gingen we uit van de alledaagse situatie ‘ik zie, wil, doe, etc. dat’. Deze heeft een structuur waarin de gescheidenheid van en een spanning tussen subjecten object centraal staan. In de taal is er een onderwerp (de eerste persoon), een lijdend voorwerp (derde persoon) en de verbinding, het gezegde. Hiermee wordt een grens getrokken tussen jezelf en het andere, de ander, waardoor scheiding en beperking ontstaan. Hierdoor ontstaat verlangen, want iedereen wil weer heel worden, er is afkeer, er is frustratie, er is lijden.
Een doorbraak door de grenzen, het verdwijnen van grenzen is een bevrijding, en deze wordt als positief ervaren. Steeds als er een verruiming komt, ontstaat er een goed gevoel, een enthousiasme. Interne (ego) en externe (autoriteiten, machthebbers) beperkende krachten vallen weg en het leven komt tot ontplooiing. Dat is een prachtige en grootse ervaring van zijn-in-vrijheid.
Hoever gaat die ontgrenzing?

In de advaita-traditie wordt zo snel mogelijk gemikt op zo’n radicale en totale ontgrenzing dat er niets overblijft van een beperkte ik-situatie, zelfs niet van een onbeperkt ik-ben.
In zijn laatste levensperiode (1979 – 1981, toen ik bij hem was) ging Nisargadatta vrijwel uitsluitend uit van het kosmische ik-ben. Daar bracht hij degenen die daarvoor open stonden, steeds weer naar terug. In deze sfeer gaat het om een overgave van de laatste ego-kern ik-ben-er, ik-wil-leven, ik-wil-blijven bestaan. Pas als deze kern is verdwenen, is alle angst en daardoor elke beperking opgeheven. Misschien was daarvan iets in de meditatie te ervaren. Waarin lost het ik-ben op? Daarover valt niets te zeggen; daarom noemen we het het absolute.
Er is geen locatie meer van zelf-zijn en niets en niemand is verschillend van zelf-zijn.
Het is dan een wonder dat de wereld doorgaat, dat deze zomaar vanzelf doorgaat.

Destijds zat Osho, als Rajneesh, met zijn volgelingen in Poona. Daar ging het ook om ontgrenzing, een laten wegvallen van beperkingen, het oplossen van het ego tot een non-duale situatie. Osho ging het ook om radicaliteit daarin. Bijvoorbeeld, in het boek Tantra beschrijft Osho drie vormen van satori volgens Tilopa.3
1) ‘Eerst voelt de yogi dat zijn denken naar beneden stort als een waterval.’
Dat is het gebied waarop de grove conditioneringen van het denken wegvallen. Chaos ontstaat, omdat er het oude houvast wordt losgelaten. En, dat zal moeten gebeuren, wil er vrijheid komen. Daarom waren er de chaotische meditaties. Daarom was er het doorbreken van sociale regels en persoonlijke hechtingen en remmingen, ook op seksueel gebied. Het loslaten van de vaste wereldstructuur en allerlei patronen was misschien ook duidelijk in de meditatie die we deden; dat was het ‘negatieve’ aspect ervan. Er ontstaat dan vrijheid.
2) Na het verdwijnen van de vaste patronen en grove hechtingen ontstaat er een rustiger situatie. Dan is er de vrije ontplooiing, het genieten en vieren van het leven. ‘... de weg die ik leer is de bevestiging van het leven’ (Osho). Als het leven de kans krijgt zich te ontplooien, komt er spontaneïteit, zachtheid en het stille stromen: de tweede vorm van satori. Tilopa: ‘ ... in het midden, net als de Ganges, stroomt het langzaam en zacht.’ In de zelf-meditatie is er op een gegeven moment het stil voortstromende zelf.
3) En dan komt de derde satori: ‘Ten slotte is het een grote, onmetelijke oceaan waar de lichten van moeder en zoon ineenvloeien.’ Dat is hoogste vorm, waarover weinig valt te zeggen. De beschrijving ervan zit vol paradoxen. Dat kan ook niet anders: het is ‘zuiver zijn’, je bent, maar zo anders dat het beter is te zeggen dat je niet-bent; leegte als de hemel zonder wolken, als een lege spiegel. Dan lost het eigen ik-ben op in de kosmische, oceanische sfeer.

Nisargadatta maakte duidelijk dat het uitstromen in de onmetelijkheid van de kosmos of oceaan nog niet het einde is van het subtiele ik-ben. De leegheid van de oceaan is die van de droomloze slaap. Er is een einde aan het kosmische of oceanische subtiele ik-ben en dat komt, als dit oplost in het absolute. Pas van daaruit wordt werkelijk alles totaal gerelativeerd.
Het absolute kwam bij er Nisargadatta direct vanaf het begin bij, de uiteindelijke diepte waarin alles wordt opgelost, zelfs de oceaan, de lege spiegel. En dat is belangrijk om elke egocentriciteit onderuit te halen, zelfs die van de droomloze slaap. Dat is de vierde toestand (turîya). De absolute openheid.
Ook al komen de verschijnselen van de wereld terug, zij zijn niet beperkend; ze zijn doorzichtig en verduisteren de absolute openheid niet. Het is de staat zonder tweeheid, advaitisch, non-duaal; er zijn geen scheidingen; het is het onuitsprekelijke. Dáárom gaat het eigenlijk op het spirituele advaita-pad, dáárop is de meest centrale oriëntatie gericht. Als dat volledig duidelijk wordt, wordt deze ‘staat’ in de Indiase tradities verlichting (prabodha) of bevrijding (moksha) genoemd.

De elementen van de advaita vedanta-visie kwamen ook bij Osho’s onderricht steeds naar voren, onder andere de eenheid van het hoogste zelf (Âtman) en de wereldgrond, de essentie van alles (Brahman), het inzicht, het karakter van schijnwerkelijkheid (mâyâ) van de wereld en de ik-persoon, het afstandnemen tot de godsdienstige vormen. Ook als hij klassieke teksten uit andere tradities zoals het boeddhisme, tantrisme en taoïsme besprak, bleef de a-dvaita de kern.
De niveaus van Osho’s onderricht waren verschillend. Afhankelijk van de situatie van degenen die luisterden, sloegen dingen aan op een lager of hoger niveau van waarheid.
Voor mensen die de gebeurtenissen in Poona en Oregon vanaf een afstandje bekeken – en daar hoorde ik ook bij – lag daar voor een groot deel de nadruk op de eerste fasen: een vrij maken van conditioneringen, een kritiek op de gevestigde orde van kerk en politiek, een accepteren en laten stromen van het grootse, vrije leven. Osho wilde een samengaan van Zorba en de Boeddha in ‘Zorba de Boeddha’. Dat was het ideaalbeeld dat hij voorhield. In de praktijk van de jaren ’70 en ’80 bleef maar al te vaak het boeddha-aspect achter bij het Zorba-aspect. Laten we nog eens even naar de situatie in die jaren gaan kijken.

4. Uitgangspunt

In de westerse regio was er vanaf ’68 een algemene golf van verzet tegen en losmaken van opgelegde patronen en van de autoriteiten. Dat sloot aan bij wat men bij Osho vond. ‘… Bhagwan seemed to be giving his sanction to everything we most longed to do, but daren’t because of internal and external restraints on our behaviour. At the same time he offered spirituality, a purpose, a goal, a crusade, so that here was at last a meaning to existence.’4
Grote aantallen mensen kwamen om deze dubbele reden naar Poona en Oregon, de meesten vrijwel zonder spirituele traditie, achtergrond en praktijk. Zij vonden daar een sfeer van verruiming.

Hoe verschillend was de situatie rond 1980 bij Nisargadatta Maharaj. Velen moesten niets van hem hebben, ook omdat het bij hem radicaal toeging. Hij had geen tijd meer om mensen vanaf het begin van hun spirituele ontwikkeling mee te nemen. Zij moesten meteen of vrij snel de aansluiting hebben bij zijn onderricht op het hoogste niveau, en niet met problemen en verlangens op lichamelijk en psychisch niveau zitten. Zijn selectie was streng. Velen stuurde hij weg, ook de Osho-sannyasins. Nisargadatta zei dan: ‘Wat doe je hier? Ga naar je eigen leraar.’
Het waren de traditionele eisen aan de leerling die hij stelde aan de aanwezigen. Bij Shankara waren het onder andere: het onderscheid kennen tussen het tijdelijke en eeuwige, genoeg hebben van de kringloop van wedergeboorten (samsâra) en zonder verlangen zijn naar dingen in deze of andere werelden.5 Gezien deze eisen is het begrijpelijk dat traditioneel een advaitaleraar ook niet veel leerlingen had. Het was maar een handjevol mensen die op Nisargadatta’s bovenkamertje bleven. De problematiek van de grote aantallen was er niet.
Samen zat ik in het vliegtuig naar Bombay met Bhagwan-sannyasins. Aardige mensen; ze zeiden: “Ga mee naar Poona. Daar is het feest.” Het leek aantrekkelijk, maar ik werd door iemand anders aangetrokken. Onze wegen gingen in Bombay uiteen.

5. Methode

De meditatie die we deden, hield een onderzoek in naar de eigen situatie. Er was een steeds verder terugkeren naar de bron van jezelf en steeds een afvragen hoe het met jezelf zit. Hierbij ga je allerlei aspecten van jezelf zien waarmee je eerst geïdentificeerd was. De methode van de advaita vedanta is die van een ondogmatisch onderzoek naar de aard van jezelf. Dat vind je al in de oude Upanishaden, dat is ook duidelijk bij Shankara, bijvoorbeeld in zijn Upadeshasâhasrî. De titel van het eerste hoofdstuk van het prozagedeelte is: ‘Hoe de leerling tot verlichting te brengen’.
De leraar stelt de leerling de vraag: ‘Wie ben je eigenlijk?’ Namen en jaartallen vormen geen goed antwoord op deze vraag. De vragen zijn gericht op het ontdekken van het eigenlijke zelf: ‘Als je je zo gaat opstellen, wat zie je dan?’ De leerling antwoordt naar bevind van zaken: ‘Ik zie dit en dat.’ De leraar: ‘Goed, we gaan nu verder ...’, enzovoort, zonder ergens te stoppen. Zo krijgt de leerling een steeds dieper inzicht in zichzelf.

Het gaat om het eenvoudige kijken. Bijvoorbeeld, zoals in de begin-meditatie:  als je je aandacht naar binnen richt, gebeurt er wat. Je ogen laten je de vormen van je lichaam zien, maar door met een innerlijke blik te kijken en te voelen verandert dit lichaam. Het krijgt een minder duidelijke vorm. Je ervaart je lichamelijke zelf zonder grenzen. Heel simpel. Het gaat om dit soort eenvoudige vaststellingen van kenmerken die overduidelijk aanwezig zijn.
Dit directe vaststellen is zien of inzicht (vidyâ), het levende kennen (jñâna), waarbij de hele existentie is betrokken. In dit inzicht heeft de methode zijn centrum. Het inzicht in de aard van de werkelijkheid betekent het wegvallen van de oude werkelijkheid en de verwerkelijking van de nieuwe. Kennen en zijn zijn één. Door het zien van de oorspronkelijke werkelijkheid, wordt de niet-oorspronkelijke, geconditioneerde werkelijkheid doorzien. Het geloof erin blijkt een illusie. Qua werkelijkheid vervalt de gewone wereld tot de sfeer van louter verschijnselen.

Het inzicht is direct. Vanuit een dualistisch standpunt kan er van alles over het kennen gezegd worden, dat allerlei conditionerende determinanten werkzaam zijn, maar dan houdt men vast aan een bepaald standpunt van waaruit men al denkend een proces construeert. In de eigen ervaring – en dat is het enige wat doorslaggevend is – is inzicht als herkenning van waarheid zonder middelen, direct; de waarheid toont zich vanuit zichzelf. Er is dan geen twijfel.

De methode is radicaal, want er wordt gevraagd: wie of wat ben je éigenlijk? Het absolute kwam er bij Nisargadatta direct bij. Dat liet hij merken en dat werkte. De vage aanwezige kennis ervan werd aangesproken. Iedereen heeft een notie van de eigen ongeconditioneerde aard. Vanaf het begin werd aangesloten bij het meest fundamentele besef. En dat is belangrijk om a) een goede oriëntatie te hebben en b) elke egocentriciteit onderuit te halen. Bij elke uiting waaruit bleek dat je aan iets (je lichaam, verlangens, ego, ik-ben, ...) vastzat, werd je onderuit gehaald, zodat het hoogste zich kon tonen. De methode is duidelijk top-down: het hoogste wordt direct gesteld en gemanifesteerd, vanuit de openheid voor het hoogste is er de werking op ‘lagere’ niveaus. Daarom waren er voor ons geen middelen zoals symbolen en rituelen. Nisargadatta vroeg aan Osho-sannjasi’s: ‘Waarom heb je die kleding aan? Waarom ga je niet naar de kern?’

Osho’s methode was ook gericht op de non-dualiteit. Van sommigen weet ik dat zij bij hem ook de non-dualiteit ervoeren. Zijn onderricht bevatte ook de yoga van de kennis en het directe inzicht (jñânayoga). Maar, zijn benadering was ruimer. Ik noemde al: Osho gaf onderricht op alle niveaus, met een grote diversiteit van benaderingswijzen. Ik zei ook al dat in de praktijk voor velen de nadruk lag op het vieren en stromen van het leven, zoals Zorba de Griek dit liet zien. Osho riep daartoe voortdurend op. Naast de weg van het inzicht, was er sterk de tantristische weg van de energieën. Dat was voor vele Osho-aanhangers en relatieve buitenstaanders het belangrijkste visitekaartje van Poona. Het heeft zijn voordelen gehad, onder andere dat velen de mogelijkheid hebben gehad de spirituele draad op te pakken en de verruiming konden ervaren. Het heeft ook zijn gevaren, voor zover de nadruk niet ligt op de totaal relativerende werking het absolute. Ik heb de advaita-methode top-down genoemd. De tantristische methode is meer bottom-up, vanuit het handelen en de ervaringen op lichamelijk vlak. De gevaren ervan zijn er vooral in de situatie met grote aantallen mensen, velen zonder duidelijke ervaring met een spirituele praktijk, die op de sfeer van levensvrijheid afkomen. In de Osho-groepen ontmoette ik meer Zorba’s dan Boeddha’s.

Natuurlijk, ook op de advaitaweg van de kennis is de bevrijding een ‘situatie’ waarin de energieën, voor zover zij er zijn, totaal vrij stromen. Op de weg naar het bevrijdende inzicht speelt het vrijer gaan stromen van de energieën ook een rol. De strikte oriëntatie op het ‘hoogste’ zorgt daarbij echter al voor een sterke relativering van de energieën, de aandriften, de verlangens. De helderheid van geest laat niet alleen de eigen sfeer zien die op vrijheid is gericht, maar ook de ruimere sociale context waarin ook andere niet-bevrijde mensen aanwezig zijn. De egocentriciteit in het streven naar verlichting en het grootse leven wordt door de manifestatie van het Vormloze snel onderuit gehaald.
Bij de bevrijde-in-dit-leven stromen de energieën zoals ze gaan in het grote geheel van de kosmos. Daarbij horen niet alleen de sterke levensenergieën, maar ook de sociale krachten. Omdat er geen identificatie met een deeltje is, een ik-persoon, is alles vrij in het grote geheel, zelfs de energieën die de levensenergieën anders laten stromen dan volgens de primaire impulsen. Omdat er geen identificatie met het geheel is, is het leven niet het hoogste.
Het absolute relativeert radicaal alles. En, dat heeft consequenties voor de methode, in ieder geval de consequenties van eenpuntigheid, directheid en radicaliteit die ik heb aangeduid.

6 De leraar

De leraar is onderdeel van de methode om de leerling te helpen. Voor iemand die zich opstelt als leerling heeft de leraar altijd twee fundamentele aspecten. De leraar is een dubbelzinnig figuur.
1) De leerling wordt ontmoet de leraar in menselijke vormen. Je ziet tegen hem aan en dan zijn er de vormen van zijn lichaam en kleding, van zijn spreken en handelen. In het sociale verkeer is de leraar een persoon met allerlei eigenschappen. Hij (of zij) kan groot of klein zijn, bruin of wit, opvliegend of kalm. Over deze vormen kun je een mening hebben, je spreekt met hem, je doet dingen samen. In die zin heb je te maken met de vorm.
Ook op het subtiele terrein van de gevoelsmatige voorstellingen, van de mentale en kosmische werelden kan de leraar verschijnen, bijvoorbeeld als tovenaar, als god. Daarin werkt hij nog directer en sterker dan op het fysieke vlak. Ook hier zijn nog de vormen.
2) De verlichte leraar heeft voor zichzelf geen vormen, hij ziet zichzelf niet als leraar. Hij is totale openheid zonder vormen. Er is voor hem geen bepaalde plaats waar hij lokaliseerbaar is. Daar heeft de leerling minimaal een vage notie van.
3) Beide, vorm en openheid zonder vorm, gaan samen. Ze gaan ook noodzákelijk samen. Wanneer een van beide er niet zou zijn, zou de leraar niet als zodanig kunnen functioneren.
Zonder uiterlijke vorm van de leraar zou de leerling geen plaats in de materiële wereld hebben waarop hij (of zij) zich kan richten. De leraar is iemand die door de leerling hier en nu wordt gezien en met wie de leerling kan spreken.
Zonder ‘openheid zonder vorm’ zou er geen sprake zijn van een leraar. Het waarnemen van plaats en vorm is verbonden met een intuïtie die voorbij die materiële vorm gaat. Er kan juist een werking van de leraar zijn, omdat hij daar op die bepaalde plaats met een bepaalde vorm én als openheid aanwezig is.

4) De combinatie met openheid maakt elke vorm van de leraar betrekkelijk. Principieel kan er elke vorm zijn, voor zover deze vorm het leraarschap niet totaal onmogelijk maakt. Mensen zien hem en keuren bepaalde eigenschappen goed en andere af. Sommigen zeggen: ‘Een echte leraar zou niet roken.’ Anderen zeggen: ‘Ook saai dat hij niet rookt.’ Een leraar kan alle mogelijke gedragswijzen vertonen, ook degene die mensen afkeuren. De leraar is niet aan het gedrag te herkennen. Geen enkele speciale eigenschap is essentieel, zelfs niet erg mooie zoals aardigheid en vriendelijkheid. Sri Nisargadatta, bijvoorbeeld, was een kettingroker, gebruikte grove taal en schold mensen uit. Velen liepen daarom bij hem weg. Het enige wat een verlicht leraar in het gedrag karakteriseert is de afwezigheid van egocentriciteit.

Wat gebeurt er bij de leerling? Door de openheid op de plaats en in de vorm van de leraar schijnt licht en door dat licht kan ook de leerling het licht in zichzelf duidelijker herkennen. Uiteindelijk blijkt er één licht te zijn. Soms is het een snel proces, soms een langzaam proces, waarin de vorm steeds subtieler en doorzichtiger worden. Als dit plaatsvindt, kom je steeds meer in de openheid te leven die je aanvankelijk bij de leraar herkent. Je gaat die openheid ook bij jezelf ervaren. Dan komen die twee eerst zo gescheiden sferen samen, de scheiding van de vormen valt weg. Het licht dat je daar in de leraar ervaart en het licht dat je in je zelf herkent, vallen op een gegeven ogenblik samen wanneer de vormen verdwijnen.

Verdere conclusies over vorm en openheid van de leraar zijn de volgende.
5) De vorm van de leraar is alleen van belang voor zover iemand hiermee wordt geholpen.
6) Hoe sneller de vormen verdwijnen, des te beter.
De vormen zijn een middel en geen doel. Hoe snel ze verdwijnen, hangt af van het inzicht en de staat van de leerling. De leraar zal zijn vormen zo kort mogelijk aanhouden en niet meer dan functioneel laten zijn. Bij de verlichte leraar is er per definitie openheid, dat is het afwezig zijn van egocentriciteit; voor zichzelf zijn er geen vormen waarmee hij zich identificeert.
7) De openheid betekent ook het openstaan voor anderen, de vanzelfsprekende bereidheid om anderen te helpen, dat is liefde.
8) In wat hij doet of zegt wordt een dimensie zichtbaar waarin niets wordt achtergehouden, waarin geen bedoelingen zitten die een ego moeten beschermen of mooier moeten maken. Er is eerlijkheid tot in het oneindige.

De leraar werkt in de ervaring van de leerling, zoals ik dat heb ervaren, sterk op het niveau van de gevoelsmatig-energetische vormen. De leraar is dan op een verinnerlijkte wijze bij je. Zijn vorm blijft op het energetisch-gevoelsmatige vlak werken, ook al is deze minder hard dan die van het materiële lichaam. Datzelfde kan plaatsvinden op het gevoels-mentale vlak van de voorstelling en op dat van de dromen. Zo wordt de uiterlijke vorm doorzichtig en een steeds grotere ruimte zichtbaar. Deze verruiming gaat steeds verder door. Ook wanneer er een geweldig grote ruimte ontstaat, kunnen bepaalde ervaringsstructuren van de leraar nog een rol spelen. Steeds zijn je eigen vormen en kwaliteiten ook de karakteristieken van de leraar zoals die verschijnt. Afhankelijk van je eigen situatie of standpunt verschijnt de leraar in een bepaalde vorm. Die overeenkomst is er altijd. Wanneer je zelf heel sterk in het materiële lichaam zit, zie je ook alleen maar een persoon in een materieel lichaam. Als je jezelf ervaart op mentaal vlak, zul je daar ook je leraar ontmoeten in de kwaliteit die daar thuishoort. Als je in de kosmos als een getuige aanwezig bent, zal daar weer de leraar verschijnen met dezelfde getuige-karakteristieken. Zo heb ik het ten minste ervaren. Afhankelijk van je eigen situatie zul je je leraar ontmoeten.

Aan de eerder genoemde punten over de vorm en openheid van de leraar, kunnen enkele stellingen worden toegevoegd.
9) Alleen door wat er in een relatie gebeurt, kun je iemand leraar noemen. Waar het om gaat is ontgrenzing tot openheid. Soms herken je openheid in wat iemand zegt, doet of is, waardoor je eigen vrijheid en openheid zich meer gaat manifesteren. Voor zover er zo’n hulp bij ontgrenzing uitgaat van de ander, is die ander je leraar. Er is niet zomaar iemand met een bordje ‘leraar’ of ‘master’op de deur. Alleen in de praktijk kun je soms zeggen dat je bij iemand een grotere ruimte hebt leren kennen. Die is blijkbaar je leraar op dit punt. Een verabsolutering van het leraarschap slaat nergens op.

Opmerking van iemand uit de zaal: Ik kan ontzettend veel over mijzelf leren van iemand die mij rot behandelt: mijn irritaties, mijn reacties. Die ander is dan ook mijn leraar.

Dat is een mooie aanvulling.

Je had het over ontgrenzing en dat je daar grenzen aan kunt stellen. Kun je daar nog iets over zeggen?

In de advaita-traditie wordt meteen doorgestoten in de richting van het absolute. Het gaat om absolute ontgrenzing. Dat gebeurt bij een voortdurend bewustzijn van je eigen situatie. Je merkt dan de variatie in begrenzing en ontgrenzing, maar ook de volledige vrijheid zonder beperkende vormen. Ga maar terug naar de bron van jezelf en je kunt direct vaststellen dat je geen grenzen hebt. Zodra je weer in een vorm schiet, kun je doorhebben dat er weer een begrenzing plaatsvindt. Dan vraag je je weer af: hoe zit het werkelijk met mij? O ja: volledig ruim-zijn. Soms ontstaat de definitieve realisatie heel snel, soms is er langere tijd een grote alertheid noodzakelijk om het proces van vastzetten steeds te doorbreken.

In de meditatie die u gaf, ga je steeds meer terug, alles valt weg in het absolute en dan hoeft er niets meer gedaan te worden, alles wordt gedaan. Het traject terug naar onszelf vraagt veel: het opschonen van barrières, de opoffering. Als we in het uiteindelijke zijn, wat is dan de weg terug?

Een weg terug naar het vastzitten in het lichaam en de wereld hoeft er niet te zijn. De wereld kan wel weer verschijnen, maar dan op zo’n wijze dat deze niet meer beperkend is. Daarom mag er alles zijn. In de grote ruimte van zelf-zijn mag alles komen. Daarin is alles aanwezig, als jezelf, de hele wereld. Daarin gaat alles vanzelf, er is niet iemand die iets hoeft te doen. Net zoals het ademen vanzelf gaat.

Moet je dan niets doen voor de wereld? Is de verlichting geen gift waarmee je iets moet doen?

Wie zou er iets moeten doen? Als elke egocentriciteit is opgelost is er geen persoon meer. Er is ruimte en alles gaat vanzelf op de beste wijze, in het grote geheel.

[Vervolg inleiding]
10) Het herkennen en leren vindt plaats vanuit je eigen zelfstandige zelf-zijn. Als eerste persoon zit je aan geen etiket of eigenschap vast. Het eigene is oneindig, onherleidbaar. Van daaruit stel je vast of je iets hebt geleerd en of het de moeite waard is je open te stellen voor wat hij of zij leert. Het openstellen is geen afhankelijk worden, want wat geleerd wordt is juist vrij te worden. De leraar zal de leerling helpen dit zo snel mogelijk te beseffen dat hij of zij principieel volledig zelfstandig en onafhankelijk is, ook van zichzelf als leraar. Het gaat om ieders vrijheid en vormloze openheid in radicale zin, een vrijheid en openheid die de leerling altijd al was.
11) Je open stellen doe je voor de openheid die je in of via de ander ervaart, nergens anders voor, dus niet voor een persoon. Dat is de openheid die zich dan sterker gaat manifesteren en oplossend werkt.
In elke situatie kan opnieuw het proces van het verdwijnen van vormen verdergaan, tot er geen vormen meer zijn. Juist in de relatie met de leraar kan het proces plaatsvinden van de bewustwording dat er geen scheiding is, ook al zijn er nog doorzichtige vormen.

Ik gaf al aan: als de vormen verdwijnen vallen het licht dat je daar in de leraar ervaart en het licht dat je in jezelf herkent, samen. Van een paar mensen heb ik gehoord en gelezen dat ze deze ervaring hadden bij Osho. Dat is prachtig en ik heb er respect voor. Er zijn echter verschijnselen in Osho’s optreden die vragen oproepen ten aanzien van de genoemde stellingen over de leraar. Iets hiervan zal op deze plaats ook aan de orde moeten komen. Het gaat mij daarbij niet om allerlei beschuldigingen die in de literatuur zijn te vinden – veel dingen zijn op verschillende wijze te interpreteren -  maar om één punt dat centraal staat bij het leraarschap: afwezigheid van een beperkt zelf, een ego. Dat komt erg precies, tot op de meest subtiele niveaus. Daarom enkele voorbeelden die laten zien waarin die precisie afwezig lijkt.
In Osho’s toespraken komt vaak het woordje ik voor, als een ik dat iets doet, bijvoorbeeld, in een Rajneesh Nieuwsbrief  gaat het achter elkaar:6
‘de weg die ik leer’, ‘ik leer’, ‘ik aanbid het leven’, ‘ik koester de controverse’ [met de godsdiensten], ‘Ik maak me er geen zorgen over’, ‘Ik heb er absoluut op gerekend’ [Onderstrepingen van DT]. In ieder geval in Bombay had hij een doek achter zich hangen met de tekst: ‘Surrender to me, and I will transform you. That is my promise’.7 Toen hij in 1980 in de Verenigde Staten uit het vliegtuig stapte, zou hij hebben uitgeroepen: “I am the Messiah America has been waiting for.”8
Het gebruik van het woordje ik door een leraar is gevaarlijk. Natuurlijk is er het conventionele gebruik van het woord, maar snapt u dat de voorbeelden die ik gaf, de vraag doen rijzen naar de zuiverheid van de situatie?

Opmerking uit de zaal: Je kunt er toch om lachen?

Natuurlijk, maar als ik om iemand lach die zoiets op serieuze wijze roept, is het de vraag of ik met hem doorga als leraar. Het zou kunnen, maar dat hangt van de hele context af.

Je kunt het toch zien als spelen?

Het hangt ervan af hoe het verder zit.

Als het de waarheid is, wat hij zei ...

Als het steeds weer een ‘ik ben ...’, een ‘ik doe ...’ is, is dat op zijn minst verdacht.

Osho heeft beweerd dat alles een grote grap is.

Wie ziet het als een grap? Verschillende mensen die lange tijd dicht bij Osho hebben geleefd en de minder mooie verschijnselen zagen, niet. De verzamelingen die hij aanlegde van pennen, sierraden, Rolls Royces was volgens hen geen grap. Het aanzetten tot molestatie van mensen uit Antilope was geen grap.
Kort gezegd, naast de ruimte die hij was en gaf, was het relatieve ik van Osho aardig prominent aanwezig. Het gaat om de waarheid, de directe relatie met en realisatie van het hoogste, voorbij alle vormen, voorbij de leraar. Een ik van een leraar, dat niet het zuivere Zelf is, is een obstakel daarvoor.
Ik werd meer geraakt door Nisargadatta Maharaj, omdat bij hem de vormen er totaal niet toe deden. Hij ramde meteen door alle vormen heen, grap of geen grap. Als je bij een grap blijft, daar zit je dan met een grap. En dan? Natuurlijk voor zover in het doorzien van de grap (mâyâ) de verlichting doorbreekt, is zijn bovengenoemde grappen functioneel. Maar, bij wie is dat het geval geweest?

7. De 21e eeuw - conclusies

De betekenis van Osho voor de 21e eeuw? Betekenis komt alleen naar voren in het nu. In het hier en nu blijkt in hoeverre en op welke wijze Osho doorwerkt, of wie dan ook. Of het nu de 20e, de 21e of een andere eeuw is, doet er niet toe. Aansluitend bij de tijdsbeleving van mensen, kun je over de 21e eeuw spreken, maar als het om betekenis gaat, is het altijd de huidige actualiteit, het nu.

Nu, van Osho zijn er de praktische middelen van diverse meditatievormen, er zijn de boeken. Beide kunnen doorwerken bij meer mensen dan degenen die Osho hebben ontmoet. De meditaties en de boeken kunnen doorgegeven worden, en zo kunnen ze nuttig zijn. Het is de vraag in hoevérre Osho als leraar nog kan doorwerken bij de groep die hem niet fysiek hebben ontmoet. Als Osho het heeft over de relatie met een meester, is dat een levende meester. Dat wordt ook traditioneel zo gesteld. Alleen al de actualiteit van het begeleiden van een leerling vraagt een levende aanwezigheid. Inspiratie door een zich richten op het beeld van Osho kan natuurlijk altijd plaatsvinden, maar ik zei al, de vraag is in hoeverre dit zal gaan.

Voor mensen die Osho in levende lijve hebben ontmoet, ligt het anders. Zij hebben een speciale relatie met hem door wat er destijds is gebeurd. De leraar kan op zo’n wijze aanwezig zijn geweest en zo’n impact hebben gehad dat hij aanwezig blijft, ook al is hij niet meer in zijn fysiek vorm.
Wanneer de leraar overlijdt voordat de werkelijke non-dualiteit (advaita) is gerealiseerd, is dit voor de leerling alsnog een unieke kans. Ook wanneer de persoonlijke vorm van de leraar nog steeds belangrijk is, geeft dit verdwijnen van de materiële vorm een geweldige mogelijkheid voor de leerling. In de relatie met een leraar kan zijn vorm een poort worden waardoor je de openheid realiseert. Maar die poort kan ook het aspect hebben van een muur. De vorm kan zo sterk zijn, dat je daar steeds weer tegenaan blijft hikken. De vorm is dan een obstakel voor de verdere realisatie van Eenheid. Die uiterlijke vorm die altijd min of meer een rol in de relatie met de leraar speelt, houdt ook tegen. Wanneer die vorm van het fysieke lichaam plotseling verdwijnt, kunnen sommigen dit als een geweldige gave ervaren, als een genade, als de grootste gift die de leraar kon geven: dood te gaan. De vorm verdwijnt, openheid verschijnt. Wanneer de leerling dit direct ervaart, is dit de realisatie. Dat is de grote kans die de leerling heeft. Trouwens ook wanneer de leraar niet overlijdt, zal de leerling, zo wordt in de zen gezegd, de (vorm van de) leraar op een gegeven moment moeten doden. Je weet nu waarom: omdat ook de vorm zal moeten verdwijnen.
Wanneer je gerichtheid die zich vastzet op een vorm ineens wegvalt, schiet die gerichtheid ineens oneindig ver door. Ze heeft geen houvast en vliegt in de openheid, jij vliegt in die openheid. Dat is de grote kans van je leven die de leraar je nog geeft: dat het vasthouden totaal verdwijnt en er Eenheid is.

Osho en de advaita-traditie - conclusies
1) Osho bevond zich ten dele in de advaita-traditie. Zijn onderricht was gericht op non-dualiteit van subject en object, van ik en de ander, van de ene oorsprong en de veelheid van de wereld.
2) Zijn onderricht was wel ruimer dan die van de advaita vedanta. Ze bevatte o.a. de tantristische benadering.
3) Veel uitspraken en toespraken waren niet op het hoogste gericht, maar op het scheppen van de nieuwe mens in ‘a golden future’. ‘Mijn boodschap aan de mensheid is: schep een nieuwe mens – ongespleten, geïntegreerd, één geheel.’9 Hoe mooi dat ook is, meteen komt de betrekkelijkheid vanuit het hoogste advaita-niveau naar voren. Die betrekkelijkheid is inhoudelijk duidelijk, voor zover Osho gelooft in een meritocratie (mensen die gestudeerd hebben krijgen de macht) en in de wetenschap (‘science has arrived on the scene in time to accept the challenge’, in genetic engineering ...10 Die betrekkelijkheid is er ook ten aanzien van de gerichtheid op de nieuwe mens als zodanig. Is dat het hoogste ideaal? Is gerichtheid hierop het hoogste? Is dat ideaal-beeld van synthese de belangrijkste spirituele ‘boodschap aan de mensheid’? Osho: ‘Ik wil een synthese van religie en wetenschap, welke een volkomen mens en ook een volkomen cultuur geboren doet worden ...’11

Op de uitnodiging voor het Osho-symposium staat de tekst van Osho over het samengaan van Oost en West in een wereld die één geheel is. Osho heeft aan deze synthese bijgedragen en zou hieraan in de 21e eeuw een verdere bijdrage kunnen leveren via zijn boeken en degenen die door hem worden geïnspireerd. Mijn aanvulling hierop is, dat een synthese slechts kan plaatsvinden in een grotere sfeer. Welke sfeer is groter dan onze wereld: de kosmos. Bekijk de wereld vanaf de maan of vanaf Mars. Welke sfeer is groter dan onze kosmos? Dat is geen sfeer meer, maar het absolute. Alleen vanuit het absolute – noem het Brahman - is het grote kosmische geheel mogelijk en zo de wereld als geheel, zo elk geheel. Maar, het is duidelijk dat elk geheel betrekkelijk is ten opzichte van het absolute. Dat geldt ook voor het ideaalbeeld van Osho van de nieuwe mens en van zijn ‘blauwdruk’ van een nieuwe wereld, dat hij enthousiast verkondigt.12 Beelden staan tegenover andere beelden, enthousiasme staat tegenover dofheid, de gouden toekomst staat tegenover het verstarde verleden, individuele levensvrijheid tegenover de vrijheid  van anderen, gehelen staan tegenover delen. Is dat advaita? Waar gaat het nu eigenlijk om?
Gehelen moéten ook betrekkelijk blijven, want als ze verabsoluteerd worden, worden ze totalitair. Alleen door het openlaten van het absolute is er de garantie dat er geen totalitair systeem ontstaat. Zelf ben je niet verschillend van het geheel van de wereld, je bent het geheel van de kosmos in sat-chit-ananda, je oorsprong ligt in het absolute.

De functie die Osho had in de verruiming van mensen is duidelijk. Voor zover dat heeft plaatsgevonden en plaats vindt is dat prachtig. Dan doen de vormen er weinig toe. Het openstaan van dat absolute, dat in het hoogste advaita-onderricht centraal staat, relativeert veel van wat hij zei en wat rondom hem gebeurde.

Voor degenen die zijn geraakt door Osho’s optreden, ligt het voor de hand om terug te gaan naar het hoogste onderricht van Osho, de kern van wat Osho leerde. Die kern blijkt terug te gaan op het absolute. Het enige wat je kunt doen, is deze dieptedimensie open houden als helder bewust-zijn. De absolute openheid krijgt dan de kans zich snel volledig te manifesteren.


Noten

1. Deze tekst is een uitwerking van de lezing gehouden op het Osho Symposium, 13 december 2003.
2. Shri Nisargadatta Maharaj, I am That. Talks with Shri Nisargadatta Maharaj, Chetana, Bombay 1973 etc.
3. Bhagwan Shree Rajneesh, Tantra, het allerhoogste inzicht, Ankh-Hermes, Deventer 1978, p. 243 e.v.
4. Hugh Milne, Bhagwan, the god that failed, Caliban Books, London 1986, p. 17
5. Shankara, A thousand teachings. The Upadesasâharî of Sankara (Sengaku Mayeda, transl., introd., notes), University of Tokyo PressTokyo 1979
6. Bhagwan Shree Rajneesh, ‘Het geheim der geheimen’, lezing no. 31, 10 september 1978, in: Rajneesh Nieuwsbrief 7, 1978
7. Milne, o.c., p. 68
8. Milne, o.c., p. 15
9. Bhagwan Shree Rajneesh, De nieuwe mens, Zorn Uitg., Leiden 1985, p. 7)
10. Bhagwan Shree Rajneesh, The greatest challenge: the golden future, The Rebel Publishing House, Cologne, z.j.
11. Swami Deva Amrito, Bhagwan Shree Rajneesh: een introductie, Ankh-Hermes, Deventer 1983, p. 46
12. O.a., idem, p. 69 en The greatest challenge: the golden future, o.c.

Verdere literatuuropgaven en teksten zijn o.a. te vinden op de website www.advaitacentrum.nl


Er is geen tweeheid

als je ontspannen bent
in zelf-bewustzijn
is dat duidelijk.


  • Openingen naar Openheid

    In dit boek zijn ruim 120 korte teksten verzameld die openingen bieden naar die openheid. Deze blijkt uiterst eenvoudig te zijn. De teksten zijn stukjes van leergesprekken, bedoeld als stimuli om de aandacht te richten op openheid, iets daarvan te laten zien en zo de realisatie van openheid een grotere kans te geven. Ze vormen samen de essentie van het onderricht in non-dualiteit.

  • Management en non-dualiteit

    In bedrijven en organisaties is meer aandacht gekomen voor de oriëntatie op samenhang, eenheid, heelheid, ongescheidenheid, kortom: non-dualiteit. Wat betekent deze ‘niet-tweeheid’ en op welke wijze kan zij in het eigen werk en in de organisatie doorwerken? Deze vragen staan in dit boek centraal.

  • De elf grote Upanishaden


    De Upanishaden vormen de grondslag van een groot gedeelte van de Indiase filosofie. Ze worden ‘Vedânta’ genoemd, dat is het einde en de culminatie van de Veda’s. De wijsheid die in de teksten naar voren komt is nog steeds een onschatbare bron, zowel in India als daarbuiten. Centraal staat daarin de visie en zijnservaring dat de kern van zelf-zijn identiek is aan de grondslag van wereld en universum.
    In dit boek is een groot gedeelte van de belangrijkste Upanishaden (8e-6e eeuw v.Chr.) opgenomen.

  • De ander en ik

    Dit boek bevat de lezingen en enkele andere teksten van het 2e Advaita Symposium over de relatie van 'de ander en ik'. De vragen kwamen aan de orde: Wat is de aard van de ander; in hoeverre of in welke zin verschilt de ander van mij en in hoeverre vormen wij een eenheid? De bespreking van deze vragen kon een verheldering geven van problematieken als ‘de aard van het zelf’, ‘de mogelijkheid van communicatie’ (in hoeverre kunnen wij elkaar begrijpen?), ‘de grondslagen van ons morele gedrag’ en ‘de ander als leraar’.

Boeken

Douwe schreef en redigeerde gedurende zijn leven boeken. Via onze uitgeverij zijn deze nog verkrijgbaar.

Bekijk het aanbod