De Bhagavadgita en AdvaitaVedanta: devotie en inzicht

Douwe Tiemersma

In: OHM-Vani 11 nr. 3 (juli/september 2005), p. 23-25


Iedereen leest teksten, ook de Bhagavadgita, op een eigen wijze. Ramana Maharshi (1879-1950) en anderen gaven een interpretatie van de Bhagavadgita vanuit de Advaita Vedanta. Daarin staat het inzicht centraal als middel tot bevrijding.

De Bhagavadgita bevat vele verschillende soorten aanwijzingen op het pad naar bevrijding. De belangrijkste is die van de liefdevolle toewijding aan God (bhakti). Door een voortdurende gerichtheid en overgave zullen mensen God bereiken. Zij die “steeds aan Mij denken, worden spoedig door Mij gered uit de oceaan van geboorte en dood” (Bh.G. 12.7). De Advaita Vedanta gaat terug op de Upanishaden met hun boodschap dat het Allerhoogste en het hoogste zelf niet verschillend zijn en dat een levend inzicht (jñana) hierin bevrijding betekent. Hoe verschijnt de Bhagavadgita in deze optiek, waarin soms het inzicht tegenover de devotie wordt gezet?

Een van de bekendste advaitaleraren van de 20e eeuw is Ramana Maharshi. Bij hem is er geen tegenstelling tussen jñana en bhakti, maar een samengaan van beide. In zijn onderricht stelde Ramana Maharshi het onderzoek van het ‘ik’ centraal. Toch sloot hij steeds aan bij de mensen die bij hem kwamen. Soms raadde hij mensen aan dóór te gaan met hun devotie, hun meditatie op God en herhaling van zijn naam (japa). Door deze oefeningen wordt de ‘ik’-gedachte minder belangrijk en kan het proces dat tot overgave voert, doorgaan. Als men in een persoonlijke God gelooft, bestaat die God werkelijk. Dan gaat het om een volledige overgave aan God. Bij de overgave verdwijnt de persoon die zich als verschillend van God zag. In zijn onderricht benadrukte Ramana dan ook het inzicht: weet dat jij-Zelf en God niet verschillend zijn. Hierbij verwees hij naar de Bhagavadgita. Toen een leerling van hem klaagde over de moeilijkheid alle 700 verzen van de Bhagavadgita te onthouden, gaf hij hem één vers dat de essentie van de Gita bevat: “Ik ben het Zelf, tronend in het hart van alle schepselen. Ik ben het begin, het midden en het einde van alle schepselen” (10.20). Het inzicht kan de overgave gemakkelijker maken. In de overgave aan God is er een levend inzicht in het gegeven dat je Zelf-zijn en God samenvallen. In de liefde (bhakti) is er het echte kennen (jñana).

De weg van het inzicht in de aard van het zelf-zijn levert een overeenkomstig resultaat op. Als je steeds verder doorvraagt ‘Wie ben ik?’, vallen steeds meer elementen weg die je eerst als vorm vasthield, zoals je lichaam en je denken. Ten slotte is er de zijnservaring en zijnskennis van je eigen oorspronkelijke zelf-zijn dat geen grenzen kent, dat geen dood kent. Dat staat in het tweede hoofdstuk van de Bhagavadgita: “Hij wordt nooit geboren en sterft ook nooit; en na Zijn ontstaan houdt hij nooit op te bestaan. Hij is ongeboren, eeuwig, permanent en de oorsprong van alles. Hij gaat niet dood als het lichaam gedood wordt” (2.20). Dat betekent dat de vormen van de ik-persoon zijn losgelaten, het betekent dat er een overgave is van het beperkte zelf-zijn (ego) aan het oorspronkelijke Zelf dat al identiek was aan God. In wezen zijn God, de Goeroe en het Zelf één. Zo verwees Ramana ook naar de Bhagavadgita hoofdstuk 13 over de het veld en de Kenner van het veld: “Dát [het Hoogste] is het Licht van alle lichten en is boven alle duisternis verheven. Dát is kennis, het object van kennis en het doel van kennis, Dát woont in de harten van alle schepselen. ... Zoals de ene zon deze hele wereld verlicht, zo verlicht de Kenner van het veld de gehele wereld, Arjuna” (13.17 en 33). Dát (het Hoogste) en de Kenner (jeZelf) zijn beide oorspronkelijke Licht en daarom identiek. Dit totaal accepteren en realiseren betekent een volledige overgave. Het echte kennen vindt plaats in de liefdevolle overgave. Kennis en liefde zijn uiteindelijk één. Van hieruit worden de devotionele gedichten van Ramana begrijpelijk, onder andere dit vers:
“In mijn zelf dat de liefde niet kende hebt Gij een hartstocht voor U ontketend;
verlaat mij daarom niet, o Arunachala.”


Het verrichten van werk, het doen van wat je plicht is, is voor Ramana Maharshi geen hinderpaal. Hij gaf nooit iemand de raad zich uit het leven terug te trekken. Wanneer je werkt gaat het alleen om de instelling waarmee je werkt, niet om het resultaat. Dit is de karmayoga, die in de Bhagavadgita 3 en 5 centraal staat. Naar deze hoofdstukken verwees Ramana steeds weer, maar daarbij radicaliseerde hij de situatie. Iemand vroeg hem iets te zeggen over de betekenis van het eigen dharma (plicht): “Het is beter zijn eigen plicht (svadharma) te doen, zelfs onvoldoende, dan de plicht van een ander (paradharma) volmaakt te volbrengen ...” (Bh.G. 3.35). Ramana gaf als antwoord, dat svadharma betekent: blijf in de sfeer van Zelf-zijn, zonder dat er iets ‘anders’ is. Dit zag hij als de essentie van de Bhagavadgita. Dan is er een handelen zonder iets te doen, een doen van wat voor de hand ligt om te doen zonder eigenbelang. Daarom geeft het handelen hier geen karmische resten en blijft er vrijheid.

Ramana Maharshi zag dus geen verschil tussen zijn onderricht waarin hij steeds verwees naar het meditatieve onderzoek van ‘Ik’ en het verblijven in het ‘Ik-Ik’, en dat van Krishna in de Bhagavadgita. Op de vraag van iemand ‘Is het goed af en toe de Bhagavadgita te lezen?’ antwoordde hij daarom ook: “Altijd.”


Douwe Tiemersma geeft advaita-onderricht in het Advaita Centrum te Gouda (www. advaitacentrum.nl). Vanaf september geeft hij daar een cursus ‘Non-dualiteit (advaita – advaya – eenheid). De zijnservaring, de filosofie en de tradities’.
De citaten uit de Bhagavadgita zijn uit: ‘Bhagavad Gita’, Uitgeverij Davidsfonds, Leuven 2001.


Er is geen tweeheid

als je ontspannen bent
in zelf-bewustzijn
is dat duidelijk.


  • De ander en ik

    Dit boek bevat de lezingen en enkele andere teksten van het 2e Advaita Symposium over de relatie van 'de ander en ik'. De vragen kwamen aan de orde: Wat is de aard van de ander; in hoeverre of in welke zin verschilt de ander van mij en in hoeverre vormen wij een eenheid? De bespreking van deze vragen kon een verheldering geven van problematieken als ‘de aard van het zelf’, ‘de mogelijkheid van communicatie’ (in hoeverre kunnen wij elkaar begrijpen?), ‘de grondslagen van ons morele gedrag’ en ‘de ander als leraar’.

  • Stiltewandelingen naar eenheid

    Wandelen in stilte is terugkeren tot de rust die in de drukte van het leven vaak wordt gemist. Veel mensen zoeken die rust en vinden die in de natuur.

  • Openingen naar Openheid

    In dit boek zijn ruim 120 korte teksten verzameld die openingen bieden naar die openheid. Deze blijkt uiterst eenvoudig te zijn. De teksten zijn stukjes van leergesprekken, bedoeld als stimuli om de aandacht te richten op openheid, iets daarvan te laten zien en zo de realisatie van openheid een grotere kans te geven. Ze vormen samen de essentie van het onderricht in non-dualiteit.

  • Mediteren leren

    Dit boek geeft een handleiding bij het leren mediteren voor beginners en voor de gevorderden die nog eens bij het begin willen beginnen. Het uitgangspunt is de spontane meditatie, die iedereen af en toe heeft. 

Boeken

Douwe schreef en redigeerde gedurende zijn leven boeken. Via onze uitgeverij zijn deze nog verkrijgbaar.

Bekijk het aanbod