Het inzicht in het onderscheid tussen degene die ziet en dat wat gezien wordt


(Drig-drishya-viveka) (gedeelte)

Douwe Tiemersma (vert., commentaar)

Verscheen in: Yoga en Vedanta 20 nr. 4 (1978) en in Advaita Vedânta. De vraag naar het zelf-zijn. Symposium 2000, Advaita Centrum, Leusden 2001


De Drig-drishya-viveka is een klein werkje van 46 verzen, waarin het Advaita Vedânta-onderricht wordt samengevat. Een andere naam die aan deze verhandeling is gegeven is Vâkya-sudhâ: de nectar-woorden, of iets anders vertaald: de essentie van het onderricht. Onder deze naam is het toegeschreven aan Shankarâchârya, maar waarschijnlijk is het van Bhâratî Tirtha, de Jagad-guru uit de 14e eeuw van het door Shankara gestichte Shringeri-klooster.

Het doel van het onderricht is het dóórbreken van het inzicht in de werkelijke aard van het Zelf. Zoals de naam van het stuk aangeeft is dit het inzicht in het onderscheid tussen de waarnemer en het waargenomene. In de uiteenzetting wordt van veel zaken, zoals mâyâ en de diverse stadia op de weg naar het inzicht, een uitleg gegeven.

Aan de meeste verzen is een korte, cursieve toelichting toegevoegd.

1. De vorm wordt waargenomen en het oog is de waarnemer. Deze (het oog) wordt waargenomen en de geest (mind) is de waarnemer. De geest met zijn veranderingen wordt waargenomen en de Getuige is de waarnemer. Deze wordt echter niet waargenomen.

Uitgaande van de waarneming van vormen wordt teruggegaan op de uiteindelijke waarnemer. Deze is niet het oog of de geest (mind), maar je zelf als Getuige of Kenner van alles wat zich maar laat kennen, ook van de gebeurtenissen in de geest Het eigenlijke waarnemen doe je dus alleen als Kenner, al het andere is het gekende. Dit wordt nader besproken in de volgende verzen.

2. De vormen zijn velerlei wegens onderscheidingen als blauw, geel, grof; fijn, kort, lang enzovoort. Het oog ziet ze, maar is zelf één.

De vele veranderlijke vormen worden waargenomen in de waarnemer die een onveranderlijke eenheid is. Dit geldt in de betrekking tussen het oog en de vormen, maar ook op hoger niveau, zoals in de volgende verzen wordt uiteengezet.

3. De geest als eenheid constateert de eigenschappen van het oog zoals blindheid, dofheid en scherpte. Dit geldt ook voor het oor, de huid, enzovoort.

Je kunt bijvoorbeeld vaststellen dat het oog niet goed functioneert als er vuiltje in zit, en dat je weinig gevoel in je vingers hebt als ze koud zijn.

4. Het bewustzijn als eenheid verlicht (de mentale toestanden zoals) begeerte, vastberadenheid en twijfel, geloof en ongeloof, constantie en zijn tegengestelde, schaamte, begrip, vrees en andere.

Je hebt weet van je veranderende psychische toestanden. Je kunt er over praten.

5. Dit (bewustzijn) komt niet op en gaat niet onder. Het kent geen verruiming en geen verval. Het is vanuit zichzelf lichtend en het verlicht al het andere, zonder hulp.

De kenmerken van de waarnemer (eenheid, onveranderlijkheid) komen alleen het bewustzijn toe.

6. In het intellect (buddhi) schijnt het licht te zijn, omdat er een weerkaatsing is van het bewustzijn, dat er binnengaat. Het intellect is tweeledig. Een is het ego (ahankriti of ahankara), de ander wordt gevormd door het ‘innerlijk orgaan’ (antahkarana, de mentale functies).

Het bewustzijn is zelf niet waarneembaar. Ten onrechte associeert men bewustzijn met psychische vermogens en gebeurtenissen als willen, denken (behorend bij de antahkarana) en het ego.

7. In de opvatting (van de wijze) is de identiteit van de weerkaatsing (van het bewustzijn) en het ego gelijk aan de identiteit van vuur en de (verhitte) ijzeren bal. Door identificatie van het lichaam met het ego heeft het lichaam (schijnbaar) bewustzijn verkregen.

Net zoals aan het gloeiende ijzer een vuurkarakter wordt toegeschreven, wordt aan het ego een bewustzijnskarakter gegeven. Deze identificatie gaat verder: bewustzijn en ego worden gekoppeld aan het lichaam Daarom lijkt het bewustzijn een eigenschap te zijn van het lichaam.

8. De identificatie van het ego met de weerkaatsing van het bewustzijn, het lichaam en de Getuige is drieërlei. Zij heeft haar oorzaak respectievelijk in de natuur, in de vroegere handelingen (karma) en in een foutieve opvatting.

De identificatie heeft zijn basis in de aard van de mens, in zijn verleden en in zijn illusie.

9. De opheffing van de als werkelijk bestaand beschouwde verbinding (tussen het ego en de weerkaatsing van het bewustzijn) die natuurlijk is, is niet mogelijk. De andere twee verdwijnen respectievelijk wanneer het karma is uitgewerkt en bij de verlichting (prabodha).

Voor zover het alleen gaat om de natuurlijke identificatie is deze op dit vlak niet op te heffen. Zuiver op het gebied van het karma verdwijnt de identificatie alleen wanneer het karma is uitgewerkt. Door het ontwaken verdwijnt echter de identificatie volledig, omdat er dan geen sprake meer is van illusie, natuur en karma.

10. Wanneer in de diepe slaap het ego verdwijnt, verliest het lichaam zijn bewustzijn. De situatie waarin het ego half tot uiting komt is de droom, maar de volle manifestatie is de waaktoestand.

11. De mentale activiteit die geïdentificeerd wordt met de weerkaatsing van het bewustzijn schept gedachtebeelden in de droom en uitwendige objecten met betrekking tot de zintuigen in de waaktoestand.

12. Het ene subtiele lichaam, dat de geest (mind) en het ego oplevert, is gevoelloos. Het beweegt zich in de drie situaties en wordt geboren en sterft.

Het hele subtiele lichaam met de psyche en het ego kan niets waarnemen. Het is veranderlijk en tijdelijk. Het waarnemen behoort tot het bewustzijn, dat onveranderlijk is en boventijdelijk.

13. Mâyâ heeft twee krachten, namelijk die van projectie en van versluiering. De projecterende kracht schept alles, vanaf het individuele subtiele tot en met de kosmos.

Het scheppen van vormen (zie 11) wordt hier op kosmische schaal bekeken en toegeschreven aan een projecterende en scheppende kracht. De aard van deze Mâyâ is duister. Ze is werkelijk, noch onwerkelijk.

14. Het opkomen van namen en vormen in Brahman, dat wat Zijn-Bewustzijn-Gelukzaligheid is, is gelijk aan het schuim op de oceaan. Dit wordt schepping genoemd.

Het door Mâyâ geschapene ontstaat in Brahman en is Brahman. Ook Mâyâ is Brahman.



15. De andere kracht verbergt het onderscheid tussen de ziener en het geziene, in het innerlijk en (het onderscheid tussen) Brahman en de geschapen wereld, buiten het lichaam. Deze kracht is de oorzaak van de steeds weerkerende geboorte en dood (samsâra).

Door het zien van het lichaam, enzovoort als het Zelf en de wereld als de Werkelijkheid ontstaat het lijden.



16. Het subtiele lichaam, dat stralend aanwezig is in de nabijheid van de Getuige is met het lichaam verbonden. Omdat er de weerkaatsing van het bewustzijn in ontstaat, wordt het het belichaamde zelf (jîva).



17. Het karakter van een belichaamd zelf verschijnt in de Getuige door dit karakter er aan toe te kennen. Maar wanneer de versluierde kracht wordt vernietigd, wordt het verschil duidelijk en verdwijnt het (belichaamd zelf-karakter van de Getuige).

De fout ligt in de toekenning aan de Getuige van de eigenschap beperkt te zijn. Deze wordt hersteld door dit te doorzien.

18. Op dezelfde wijze verbergt de kracht het verschil tussen Brahman en de geschapen wereld en door haar invloed verschijnt Brahman als iets dat verandert.

19. Ook hier wordt het verschil tussen Brahman en de wereld duidelijk bij de vernietiging van de verbergende kracht. In de wereld is verandering, maar niet in Brahman.

In de verzen 1 t/m 19 werd aangetoond dat alleen jeZelf als Getuige degene bent die ziet. Dit is het Bewustzijn dat zelf niet waarneembaar is. Het ego en de psychische functies worden met het Bewustzijn geïdentificeerd: het Bewustzijn lijkt een eigenschap te zijn van een lichamelijke persoon. Deze illusie verdwijnt volledig bij de verlichting.

Op kosmische schaal is er de illusie van de identiteit van Brahman en de geschapen wereld. Deze illusie moet worden toegeschreven aan Mâyâ's versluierende kracht, die bij de verlichting wordt vernietigd, evenals haar projecterende kracht. Dan wordt het verschil duidelijk tussen Brahman en de wereld, tussen de Ziener en dat wat gezien wordt.



Er is geen tweeheid

als je ontspannen bent
in zelf-bewustzijn
is dat duidelijk.


  • De elf grote Upanishaden


    De Upanishaden vormen de grondslag van een groot gedeelte van de Indiase filosofie. Ze worden ‘Vedânta’ genoemd, dat is het einde en de culminatie van de Veda’s. De wijsheid die in de teksten naar voren komt is nog steeds een onschatbare bron, zowel in India als daarbuiten. Centraal staat daarin de visie en zijnservaring dat de kern van zelf-zijn identiek is aan de grondslag van wereld en universum.
    In dit boek is een groot gedeelte van de belangrijkste Upanishaden (8e-6e eeuw v.Chr.) opgenomen.

  • Verdwijnende scheidingen

    Douwe Tiemersma
     

    Verdwijnende scheidingen

    Proeven van intercultureel filosoferen

    276 pagina’s, paperback

  • Openingen naar Openheid

    In dit boek zijn ruim 120 korte teksten verzameld die openingen bieden naar die openheid. Deze blijkt uiterst eenvoudig te zijn. De teksten zijn stukjes van leergesprekken, bedoeld als stimuli om de aandacht te richten op openheid, iets daarvan te laten zien en zo de realisatie van openheid een grotere kans te geven. Ze vormen samen de essentie van het onderricht in non-dualiteit.

  • Psychotherapie en non-dualiteit

    De psychotherapie en oosterse bevrijdingstradities zoals advaita vedânta en boeddhisme hebben in de laatste jaren een steeds grotere belangstelling voor elkaar gekregen. Ze hebben elk specifieke noties en werkwijzen, maar overlappen elkaar voldoende om een vergelijking mogelijk te maken.
    In dit boek worden diverse westerse psychotherapeutische stromingen en twee bevrijdingswegen die van oorsprong respectievelijk hindoeïstisch (Advaita Vedânta) en boeddhistisch zijn, met elkaar geconfronteerd.

Boeken

Douwe schreef en redigeerde gedurende zijn leven boeken. Via onze uitgeverij zijn deze nog verkrijgbaar.

Bekijk het aanbod