Niet-kennen

Wat gebeurt er als de objecten wegvallen?


Uit een gesprek op 24 november 2010 te Gouda
In: InZicht 13 nr. 1 (februari 2011), p. 30-31


Als je in de gewone zin zegt dat je iets kent, dan heb je het over het kennen met de structuur: ik ken dit en dat. Dan is er een subject van het kennen en een object van het kennen. Die zijn er bijvoorbeeld in: ik ken die straat. Wat bedoel je met die uitspraak? Nu, ik kan die straat op een plattegrond aanwijzen, ik kan mij een beeld maken van die straat, enzovoort. Iemand die vreemd is in de stad zegt: ik ken die straat niet. Ja, dat klopt, want hij heeft geen beeld van die straat en hij kan hem ook niet plaatsen in de rest van zijn kennis.

De hoogste werkelijkheid is geen object. Dus het kennen met de standaard structuur van een ik die iets kent als object, gaat hier niet op. Je kunt het hoogste niet passen in het geheel van je aanwezige kennis. Dus in die zin is het hoogste niet te kennen. Dat moet direct al heel duidelijk zijn. Als je in gewone betekenis van het woord kennen zegt: ‘Ik ken dat wel.’ Nu, dan weet je meteen dat die ik er naast zit. Dat is al duidelijk in de Kena Upanishad te vinden:

Voor wie Het niet te kennen is, kent Het.
Voor wie Het is te kennen, kent het niet.
Het wordt niet begrepen door wie begrijpt;
het wordt begrepen door wie niet begrijpt. (2.3)


In deze situatie ‘ik ken Het niet’, dus van het niet-weten, moet je maar eens langer blijven. Wat gebeurt er dan? Je ervaart heel duidelijk wat het betekent: ik ken de basiswaarheid van bestaan en niet-bestaan niet. Het meest fundamentele is geen object. Het is niet dit, het is niet dat. Je kunt nog zo'n mooie voorstelling maken of een bepaald besef hebben van het allermooiste, het allerhoogste, nee, je kent het niet. Met al je kennis zit je fout. Wat betekent het, dat je Dat niet kunt kennen? Als je in die leegte blijft, komt er een ontwikkeling op gang in je eigen sfeer, die iets totaal nieuws laat manifesteren.  

In de godsdiensten zijn er mensen die zeggen: ‘Ik ken God’, bijvoorbeeld de God zoals hij zich heeft geopenbaard in de Bijbel of in de Koran. Een atheïst zegt: ‘Nee, ik ken hem niet. Dus daarom bestaat hij niet.’ Maar kijk, beide (ik ken god en ik ken god niet) zijn tegengestelde standpunten op het niveau van het gewone kennen, het kennen namelijk van wat je kunt formuleren, van wat een object van kennis is. Maar, het hoogste is geen object van kennen.
Naast de gelovige en de atheïst is er de agnost en die zegt: ‘Ik weet het niet. God is niet te kennen. Ik laat het open.’ Is dat dan de hoogste wijsheid? Nu, dat lijkt een sympathiek en bescheiden standpunt. Maar een agnost blijft wel op zijn eigen persoonlijke plekje staan en stelt van daaruit dat je van wat voorbij de gewone menselijke wereld ligt, geen kennis kunt krijgen. Dat klopt vanuit dit standpunt van de menselijke persoon. Maar, je zit zelf niet aan dit standpunt vast. Dat dit wel zo zou zijn is maar een geloof, een geloof dat beperkend werkt.

Als je bij het niet weten blijft ... Wat gebeurt er dan? In het kennen ben je gericht op iets anders, op een object. Helemaal bij een intense spirituele zoektocht ben je sterk gericht op Iets wat je zoekt. Wat gebeurt er, als dat object ineens wegvalt?

Het wordt meer transparant.

Ja. En als het proces doorgaat?

Dat is nou net niet te kennen.

Nu, je kunt wel iets zeggen.

Het ik schiet ook oneindig door.

De gerichtheid vliegt oneindig door, doordat er geen object is die haar tegenhoudt. Daarbij schiet je zelf oneindig door. Wat gebeurt er met de hele structuur ‘ik ken dit en ik ken dat’? Je zoekt hartstochtelijk naar de waarheid. Je hebt een heel sterke gerichtheid daarop. En ineens: het is niet te kennen! Het object valt weg, de gerichtheid die zo sterk was, schiet oneindig door en vindt nergens houvast. Het ik van die gerichtheid valt weg in het oneindige. Zelf val je weg. Ja, wanneer het gekende object oplost, lost ook het kennende subject (ik) op. Dat is wat je nog kunt zeggen.
Dus je raakt in een wolk van niet-weten en daarin lost het ik op. Het ik is een gerichte spanning met een centrum. Het moet zich altijd ten opzichte van iets anders een positie geven en handhaven. Wanneer het ik geen houvast meer in iets heeft, verdwijnt de spanning en het ik. In de ontspanning is er voor dat ik niets meer om zich op te richten of om zich tegen af te zetten. Als je in de wolk van niet-weten komt, kan dat ik zich niet handhaven.  Wanneer het gekende object wegvalt, heeft het ik geen poot meer om op te staan. In de oneindigheid van niet-kennen kan het ik niet blijven bestaan. In dat niet weten verlies je dus je laatste houvast. En dat betekent het einde van het ego. Het is een grondeloos niet-weten. En zelfs de verwijzing naar het weten en niet-weten verdwijnt. Misschien is er nog iets te zeggen over die overgang. Die overgang is een volledig oplossen. Als het ik, het beperkte zelfzijn, zijn beperking verliest, wordt het zelfzijn zonder grenzen, oneindig, zonder vormen, zonder afscheiding.

Toch zit in dat oneindige ik-ben nog een zekere kennis, een bepaald soort weten, een ander soort weten. Dat is niet meer een weten met een dualistische structuur, een kennen van iets, want er is geen scheiding. Als je nog spreekt van weten, is het weten waarin het subject van kennen en het object van het kennen zijn samengevallen. Dus datgene wat je daarin nog weet en kent, ben je zelf. Het is een zijnskennis waarin geen dualiteit zit. Het is een non-duale vorm van kennen, een oneindig zijn-bewustzijn zonder object van kennen. Dat was er altijd al, maar nu kun je dit objectloze zijn zelf op bewuste wijze zijn. Alleen voor zover je dit bewust zelf bent, blijft die ‘staat’ uiterst stabiel, tot het oplost in het absolute. Is dat duidelijk?


Er is geen tweeheid

als je ontspannen bent
in zelf-bewustzijn
is dat duidelijk.


  • De ander en ik

    Dit boek bevat de lezingen en enkele andere teksten van het 2e Advaita Symposium over de relatie van 'de ander en ik'. De vragen kwamen aan de orde: Wat is de aard van de ander; in hoeverre of in welke zin verschilt de ander van mij en in hoeverre vormen wij een eenheid? De bespreking van deze vragen kon een verheldering geven van problematieken als ‘de aard van het zelf’, ‘de mogelijkheid van communicatie’ (in hoeverre kunnen wij elkaar begrijpen?), ‘de grondslagen van ons morele gedrag’ en ‘de ander als leraar’.

  • Mediteren leren

    Dit boek geeft een handleiding bij het leren mediteren voor beginners en voor de gevorderden die nog eens bij het begin willen beginnen. Het uitgangspunt is de spontane meditatie, die iedereen af en toe heeft. 

  • Naar de Openheid

    De teksten in dit boek zijn geschreven op basis van gesprekken gehouden te Gouda, aangevuld met enkele gedichten en korte teksten met illustratie. 
    Als uitgangspunt dienen steeds bekende gegevens en situaties, waarin verwijzingen zitten naar dat wat niet te beschrijven is, maar dat hier Openheid wordt genoemd.

  • De elf grote Upanishaden


    De Upanishaden vormen de grondslag van een groot gedeelte van de Indiase filosofie. Ze worden ‘Vedânta’ genoemd, dat is het einde en de culminatie van de Veda’s. De wijsheid die in de teksten naar voren komt is nog steeds een onschatbare bron, zowel in India als daarbuiten. Centraal staat daarin de visie en zijnservaring dat de kern van zelf-zijn identiek is aan de grondslag van wereld en universum.
    In dit boek is een groot gedeelte van de belangrijkste Upanishaden (8e-6e eeuw v.Chr.) opgenomen.

Boeken

Douwe schreef en redigeerde gedurende zijn leven boeken. Via onze uitgeverij zijn deze nog verkrijgbaar.

Bekijk het aanbod