Non-dualiteit Presentatie - deel 2

Presentatie van Non-dualiteit – de grondeloze openheid – Deel 2 Otto Duintjer en Douwe Tiemersma
Boekhandel Donner, Rotterdam, 21 november 2008


Otto Duintjer 

Om te beginnen: Douwe, gelukgewenst met de publicatie van al weer een boek. Er zijn al jaren meerdere aanwijzingen voor dat het in Gouda bruist van de energie. Dat is na je actieve periode aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam niet minder geworden. Wat de complimenten betreft houd ik het hier even bij, want ik heb gehoord dat ik maar een beperkte spreektijd heb. 
Ik zal over het onderwerp ‘non-dualiteit’ vrij duaal praten en daarbij wat voorbehouden en wat tegenwerpingen maken. We zijn bij andere gelegenheden vaker met elkaar in gesprek en toen Douwe mij vroeg om hier iets te zeggen, wilde ik er eigenlijk voor bedanken. Ik heb namelijk wel wat tegenwerpingen bij dingen die Douwe brengt. Vermoedelijk heb ik daarbij een wat ander levensgevoel dan hij in sommige verwoordingen laat blijken en om dat naar voren te brengen bij een boekpresentatie leek me niet zo geschikt. Maar Douwe heeft toen toch aangehouden en, non-duaal als hij is, gezegd dat het juist wel moest doorgaan. Dus in mijn bijdrage voel ik me nu verder vrij.

Tegelijk was de uitnodiging wel een uitdaging, omdat ik ook voor mezelf eens wat preciezer wilde kijken. Wat is nu het genre van spiritualiteit waardoor Douwe geraakt is, dat hij vertegenwoordigt en op niveau verwoordt? Op de kwaliteit van de verwoording zal ik niet afdingen, maar inhoudelijk zie ik toch vaak punten die een tegenstem oproepen. Dat betreft niet alleen maar een fragmentje. Waar loopt dan die rode draad , waar ik liever een draad van een andere kleur zou hebben gezien? Ik moet zeggen: hij is niet voor één gat te vangen. Soms had ik het gevoel dat ik een hoofdpunt van verschil te pakken had, tot gisteravond toe. Maar vanochtend , dacht ik: "Ja, maar hij zegt ook dat en dat." Dus dan treft de kritiek weer niet helemaal. Toch wil ik enkele aanduidingen van mogelijke verschilpunten noemen. Ik kan ze hier niet helemaal uitwerken, laat staan dat ik echt kan uitleggen hoe ik het zelf zie, want daar is de tijd nu niet voor.

Voorkeur voor het ongedifferentieerde
Het begint bij de hoofdzaak die nu al door drie sprekers genoemd is: het soort nadruk dat Douwe legt - anders dan ik geneigd zou zijn te doen - op een bepaald type ervaring, namelijk de ervaring van wat hij noemt “de grote lege ruimte”, of “het Niets waarin alle dingen wegvallen en samenvloeien”. Het heet een ervaring van totale openheid zonder vormen, zonder scheidingen en zonder eigenschappen. Dat betreft bij uitstek wat hij met ‘non-dualiteit’ bedoelt. 
Nu betwist ik niet dat zo’n ervaring kan optreden en hij is zo’n goede didacticus dat hij die zo nu en dan ook kan oproepen. Ik heb er wel een vraagteken bij dat die ervaring als het hóógste wordt voorgesteld (waardoor het optimaal kan lijken om altijd in die toestand te verkeren) en dat de dan ervaren werkelijkheid zonder meer dé werkelijkheid zou zijn. 
Eén van zijn aanduidingen van die ervaring is bijvoorbeeld dat het de toestand is van vóór elke schepping, dus ook vóór alle onderscheid. Ik ontken niet dat zulke ervaringen voorkomen. Ik ontken niet dat ze waardevol en leerzaam kunnen zijn, maar dat ze het hóógste, het belangrijkste zijn en eigenlijk de standaard waar dé kwaliteit en hét belang van alle andere ervaringen aan afgemeten zou moeten worden, -- dat betwijfel ik. Dat kun je betwisting noemen, maar bescheidener is het hier de vraag te stellen: waarom zou de toestand die aan alle schepping voorafgaat voor ons belangrijker zijn dan al het grootse en hachelijke wat dan juist begint (zoals de evolutie, en heel de menselijke geschiedenis), belangrijker dan alle mooie en dan alle moeilijke dingen die mettertijd te voorschijn komen, die ons te leren geven en per situatie respectvolle aandacht verdienen? Waarom zou dat allemaal minder belangrijk zijn dan die toestand van een Niets zonder onderscheidingen dat altijd bestaat? Natuurlijk, Douwe zelf is subtiel genoeg om per geval weer te nuanceren, als je met bezwaren komt. Maar zijn nadruk kan genomen worden in een zin waar op z'n minst het risico in zit dat dualiteiten, en dus onderscheidingen, minder belangrijk worden gevonden. Zijn vaste trefwoord voor die ervaring begint ook met een negatie: ‘non-dualiteit’; een traditionele uitdrukking, maar niet zo’n gelukkige, want het klinkt alsof dualiteit iets is wat ontkend of genegeerd wordt. Zelf probeer ik die ‘non- duale’ dimensie te benoemen met woorden die wel het eigene ervan aanduiden, maar dan zo dat daardoor juist ook het belang van het duale tot uiting komt. Ik noem het bijvoorbeeld een grenzeloze manifestatie-ruimte waar elk eindig bewustzijn deel aan heeft en waarbinnen alle verschijnselen en dualiteiten zich kunnen manifesteren. Niet zo maar een kwaliteitsloze leegte, maar manifestatie–ruimte , die alle verschijnselen de mogelijkheid verleent om te verschijnen en daarmee hun belang waarborgt als verschijnsel. Besef van die open manifestatie-ruimte versterkt en verlicht zo de aandacht voor wat daarin verschijnt, voor wat zich daarin manifesteert, dus voor wat we te zien, te horen en te voelen krijgen.

In verband met het voorgaande noem ik nog een bedenking bij een bepaald woordgebruik dat veelvuldig bij Douwe voorkomt, ik bedoel zijn gebruik van de uitdrukking ‘loslaten’, de betekenis waarin hij dat woord neemt en de primaire nadruk die hij er op legt. Iedereen hier weet dat het van belang is te leren dingen los te laten, in de zin van : niet vastklampen, niet verslaafd raken. Mij lijkt het even belangrijk om te leren dat wat we te zien, te horen en te voelen krijgen eerst toe te laten tot je bewustzijn, tot je door te laten dringen, je ermee uiteen te zetten. Dan kan het loslaten bewust aan de orde komen. Het woord loslaten zelf neemt Douwe vooral in de zin van ‘laten oplossen’ ( zoals bepaalde stoffen oplossen in water), laten vervloeien, wegvloeien. Hij geeft ergens ook als voorbeeld een amoebe die zijn plasma laat uitvloeien. ‘Oplossen in de Openheid’--de vanzelfsprekendheid waarmee dit medicijn steeds wordt aanbevolen zou ook weer kunnen wijzen op genoemde voorrang voor de ongedifferentieerde werkelijkheid, waarin dualiteiten en onderscheidingen geen rol spelen, zodat problemen en spanningen die zich bij en tussen onderscheidbare manifestaties voordoen, in die richting kunnen worden afgevoerd en wegvloeien. Maar hebben zulke manifestaties dan wel eerst gelegenheid gekregen om hun boodschap af te geven?

Ik zou Douwe geen recht doen, als ik zou zeggen dat hij voor onderscheidingen geen enkele belangstelling zou hebben. Er is bijvoorbeeld sprake van in mooie passages in het derde en zesde hoofdstuk. In het derde hoofdstuk schrijft hij over de veelheid van ‘standpunten’: elke diersoort neemt op zijn eigen wijze de wereld waar en dat geldt meer nog bij mensen met hun wisselende standpunten en perspectieven in de loop van de tijd en in diverse situaties. Dus verscheidenheid speelt didactisch zeker een rol bij hem. Maar ook dan ligt de volle nadruk en de pointe toch weer bij datgene waarin alle standpunten ‘oplossen’.

‘Overhellen’ naar het positieve
Als Douwe over onderscheiden zaken en verschillende verschijnselen komt te spreken, lijkt zijn aandacht en interesse voornamelijk uit te gaan naar rooskleurige kanten van het leven. Nare dingen lijkt hij nogal eens te bagatelliseren, naar mijn gevoel. De toestand zonder vorm en eigenschappen leidt bij hem voortdurend tot vrijheid, vrede, vreugde, harmonie, en dat is godzijdank een belangrijke kant van de werkelijkheid. Wanneer we wat opener worden, zullen we af en toe kunnen ervaren dat er genoeg is om ons in verrukking te brengen, of althans tevreden te stemmen en een vrij gevoel te geven. Maar opener worden - dat woord zou ik net zo graag en veel gebruiken als Douwe doet - betekent mijns inziens opener worden voor wat zich sowieso voordoet en dat is telkens toch ook een andere kant, dus dualiteit (een woord dat gewoon tweevoudigheid en onderscheidenheid betekent; ‘dualisme’ is iets anders). Dualiteit van zomer én winter, van dag én nacht, van geluk én lijden, kunnen ontspannen én moeite doen, van tederheid en botheid, eerlijkheid en bedrog, dapperheid en lafheid enzovoort, om ons of in ons. Daarmee leren te leven en daarmee je uiteen te zetten lijkt mij minstens zo belangrijk als te leven met een werkelijkheid waarin alle onderscheid verdwenen is.

Over een bepaald punt heb ik wel eens kritiek gehad op de christelijke mysticus Johan van het Kruis, die bij herhaling zegt dat we moeten leren meer ‘over te hellen’, volgens hem juist meer naar het moeilijke dan naar het makkelijke, naar het zware dan naar het lichte, meer naar het onaangename dan naar het aangename. Daarentegen lijkt mij het spirituele leerproces eerder een soort evenwichtskunst, koorddansen, wandelen op de razor's edge , waarbij je bewustzijn naar weerszijden met beide extremen contact onderhoudt en juist niet te veel gaat overhellen. Het is al heel wat om tussen beide polen het evenwicht te bewaren , ze recht te doen en je door geen van beide te laten overweldigen, maar ze wel tot je bewustzijn toe te laten als ze zich manifesteren. Bij Douwe zie ik ook een tendens om wat over te hellen, maar dan juist naar de kant van het rooskleurige, de idyllische kant, ‘de wind in de duinen’ en dergelijke. 

Lichamelijkheid
Ik sluit af met een specifieker punt van verschil tussen hem en mij, of eigenlijk een punt waar ik een vraag bij heb omdat het kan zijn dat ik iets verkeerd begrijp. Als dat zo is, lossen we vandaag meteen iets op in de openheid, maar het kan ook zijn dat het gewoon niet klopt wat hij zegt. Deze vraag lijkt mij op een antwoord met ja of nee te kunnen uitlopen. Dat is toch ook wel eens aardig.
Het onderwerp ligt toevallig op het terrein waarvan ik al jaren aanneem dat we op dat gebied het meest verwant zijn, namelijk de verbinding van spiritualiteit met lijfelijkheid, de lichamelijkheid. Dat is in mijn leven een ontdekking geweest. Na jaren lang vooral intellectualistisch geleefd te hebben, had mijn eerste expliciet spirituele doorbraakervaring de trant van een ‘uittredingservaring’ alsof persoon en lichaam sterven.. Lichaamsgevoel (je hele lichaam van binnenuit kunnen voelen) was toentertijd bij mij niet sterk ontwikkeld. In diezelfde tijd (eind jaren ’60 en begin ’70) vonden er ingrijpende veranderingen plaats in mijn concrete leefsituatie : maatschappelijk, in mijn gezin, mijn positie en werk aan de universiteit. Nog vol van die ‘verticale’ ervaringen met oneindige openheid, werd ik meteen geconfronteerd met allerlei turbulenties in mijn ‘horizontale’ omgeving. Gelukkig kreeg ik vervolgens duidelijke signalen en gelegenheden om te leren meer met beide dimensies in verbinding te blijven. Ontwikkeling van meer lichaamsgevoel (‘van kruin tot voetzool’) bleek daarbij een belangrijk onderdeel (naast contact met verdrongen gevoelens e.d.), kortom leren ‘aarden’ of ‘gronden’. Zo heb ik via taichi-leraars, via een leraar hathayoga en een paar jaar met harde hand van Nadine Scott, de Amerikaanse psychotherapeute (uit de school van Lowen) die werkte met Gestalt en bioenergetische oefeningen --, geleerd mijn body te voelen van binnenuit. Toen ik later met Douwe in contact kwam, dacht ik: hoezeer ik ook vraagtekens heb bij zijn nadruk op die uiterste openheid, wij hebben minstens gemeen dat we allebei die lijfelijkheid ook serieus nemen. Dat is als het ware een complementair tegenwicht. Dan blijft de zaak in balans en dan blijf je de grond voelen en de ademhaling volgen die altijd hier en nu plaatsvindt. Dus wanneer je bijvoorbeeld met je gedachten her en der uitwaaiert, kom je via het lichaamsgevoel altijd weer terug bij de grond en bij de situatie waarin je je lijfelijk bevindt. Voor mij betekent dat ook : gevoelsmatig contact houden met je eindigheid, omvat door het oneindige.

Maar nu merk ik geleidelijk aan - en in dit boek viel me dat uitdrukkelijk op - dat Douwe vooral geïnteresseerd is in lijfelijkheid als iets ‘energetisch’. En dat betekent dat ook lijfelijkheid deels geassocieerd wordt met het vloeiende en contourloze. Lichaamsgevoel zou volgens hem zelfs de snelste weg naar de grenzeloosheid zijn. In mijn levenservaring echter is mijn lichaam er juist-- behalve als contactpunt met de oneindige openheid-- als sterfelijk lijf zich bevindend op een bepaalde plek in concrete situaties. Nu zegt hij in dit boek letterlijk - en in dat verband denk ik een ja- of nee-antwoord te kunnen krijgen - dat de snelste weg naar die oneindige openheid is via het voelen met de lichamelijke tastzin. Dus, met je lijfelijke tastzin zou je de grenzeloosheid van het heelal kunnen voelen. Met behulp van directieve oefeningen laat hij je je lichaam van binnenuit voelen en vraagt dan: “Waar voel je een grens?” Sommigen zeggen dan: “Bij de huid.” “Dat is toch niet echt een grens”, zegt Douwe dan. En zo gaat het verder. “Voel nu naar links en voel dat er geen grens is; en naar rechts, naar voren en naar achteren, en drie zinnen verder zijn we aan het einde van het heelal! Nee, ook niet aan het einde natuurlijk, aan de grenzeloosheid van het heelal. Je voelt telkens ‘er is geen grens’ en zo kom je met grote stappen snel thuis (daar is een middeleeuws godsbewijs nog niks bij!). Nu had ik wel gemerkt, sinds ik wat lijfelijker ben gaan voelen, dat het lichaamsgevoel verder kan reiken dan de fysieke huid. Ik kan voelen of er mensen in de buurt zijn, of er een dier langs loopt en zo. Ik kan lijfelijke gewaarwordingen hebben als ik een huis binnenkom waar een gespannen sfeer heerst, en aan den lijve het verschil voelen tussen de sfeer in een ziekenhuis, in een fabriek of in een kerk. Maar mijns inziens houdt de lijfelijke gewaarwording vrij snel op in de ruimte. Hoe ver kun je tastenderwijs voelen met je lichaam? Ik kan niet lijfelijk voelen of mijn buren thuis zijn, laat staan dat ik binnen in de huizen kan voelen aan de overkant van de straat door alle muren en voorbijgaande auto's heen. En dan ben ik steeds nog maar in Amsterdam Oud-West. Misschien vergis ik me. Vandaar nu mijn vraag : bedoelt Douwe echt dat je op dergelijke afstanden dingen lijfelijk kunt voelen en tasten en dan voelend grenzeloos door alles heen kunt gaan? Of gaat het hier in feite niet over voelen, maar over een imaginatie-oefening ?

Dit betrof dan een paar verschillen met wat Douwe zegt. Maar we weten ons verbonden.


Douwe Tiemersma

Ja, de dingen die Otto Duintjer naar voren heeft gebracht zijn zo belangrijk in de advaitabenadering dat het meer dan de moeite waard is daarin een grotere duidelijkheid te krijgen. Dat is in onze gesprekken door de jaren heen ook steeds weer gebleken. Natuurlijk, de één gaat uit van een andersoortige basiservaring dan de ander. Er blijft dan een verschil in de uitwerking. Alleen wanneer je hierover met elkaar gaat spreken en de dingen gaat aanwijzen, blijkt vaak het onderling begrip te groeien, niet alleen op mentaal niveau, maar ook als een zijnsverstaan. Natuurlijk kunnen er steeds andere accenten gelegd worden. Als het gesprek doorgaat, geven juist die verschillen de mogelijkheid om bepaalde dingen nog duidelijker te herkennen. Ik hoop nu  iets aan die duidelijkheid te kunnen bijdragen. 

De voorkeur voor het ongedifferentieerde
Het eerste punt van Otto betreft de voorkeur die ik zou hebben voor het loslaten en het Niets. Als ik hierover spreek, is dat altijd op grond van heel praktische problemen die mensen hebben. Vanuit heel praktische problemen die leedvol zijn, zoals gefrustreerdheid, pijn en blokkades, gaan mensen opnieuw kijken en nadenken. In dat onderzoek naar de aard van de problemen kom je tot de vaststelling dat die problemen conflicten zijn die veroorzaakt worden door gescheidenheid en een identificatie met iets beperkts. Conflicten zijn er, doordat er gescheidenheid is. Je kunt natuurlijk zeggen dat sommige conflicten erg gezond zijn, maar de meeste zijn dat niet en ze zijn niet noodzakelijk. Vanuit het lijden dat er door ontstaat, willen de mensen ze liever kwijt dan rijk zijn. Ze lossen alleen op in een groter geheel waarin de scheidingen niet meer aanwezig zijn. Dus op grond van heel praktische problemen die mensen hebben, verwijs ik naar een sfeer die veel ruimer is dan die van de problemen. Als je verder wilt gaan naar het oplossen van alle problemen, zullen dus alle scheidingen in je eigen zijnservaring moeten verdwijnen. De kern van alle scheidingen en zo van de problemen zit in je ego, dat ben jezelf voor zover je scheidingen maakt van ‘ik hier en de ander daar’, ‘ik hier en het verlangde daar’, enzovoort. Deze scheiding makende en beperkende structuur zal moeten openbreken tot een grotere ruimte van zijn, zelf-zijn, samen-zijn, willen de problemen van eenzijdigheden, disharmonie, conflicten, leed, pijn enzovoort verdwijnen. Dus omdat deze weg direct leidt tot het oplossen van beperkingen, heb ik in dit praktische kader een voorkeur voor verruiming en loslaten van het beperkende. 
Het was een vraag van Otto, of dit proces in de richting gaat van een hogere waarheid en werkelijkheid. Mijn ervaring is dat dit direct herkend wordt. Er is een direct vaststellen dat, als het loslaten en de verruiming plaatsvindt,  er zich een hogere werkelijkheid toont. Het herkennen van die hogere waarheid is dan ook een criterium dat ik gebruik om aan te geven dat de ontwikkeling in de goede richting gaat. 
Een heel klassiek voorbeeld ter illustratie is het volgende. Wanneer je wakker wordt uit een slaap met nare dromen, stel je in de waaktoestand opgelucht vast dat de droominhoud maar een droom was. Je werd achterna gezeten en weet niets van de waaktoestand. Je wordt wakker en zegt: “Gelukkig, het was maar een droom. Nu ik wakker ben, is er een helderder en ruimer bewustzijn, zodat ik vanuit dit standpunt kan vaststellen dat het maar een droom was. Daarom kan ik het los laten.” 
In de wetenschappen heb je een vergelijkbaar criterium waarom de ene theorie wordt verworpen ten gunste van de nieuwe, namelijk dat de nieuwe de oude kan opnemen in een ruimer geheel. En wanneer dat het geval is, ook nog aan kan geven, waarom die oude beperkt is. Het punt is dat er veel meer begrip komt, dat er veel meer verschijnselen verklaard kunnen worden dan voorheen. Dan is het duidelijk dat deze nieuwe theorie de moeite waard is. Die heeft een hogere waarheid dan de oude. Dus bij een helderder worden, meer bewust worden in een groter geheel, zie je dat de conflicten die daar onder de oude omstandigheden ontstonden werden veroorzaakt door de beperktheid van het standpunt en de kennis. Wanneer je dat beperkte standpunt loslaat, wordt het opgenomen in een groter geheel. Dat wil niet zeggen dat de conflicten meteen verdwijnen, maar je ziet wel de betrekkelijkheid ervan en meer mogelijkheden voor een oplossing ervan in een veel grotere ruimte en grotere helderheid. Dus in die zin blijf ik het belangrijk vinden om deze weg naar de realisatie van het ongedifferentieerde te begaan. Vroeg of laat zul je de volledige vrijheid van alles moeten ervaren, wil je niet vast blijven zitten in een beperkte identiteit.
Dit wil niet zeggen dat, wanneer je deze weg tot het uiterste gaat, de hoogste non-dualiteit hebt gerealiseerd. Het gaat niet alleen maar om de non-dualiteit van het totale blanco zijn waarin subject en object volledig samen gaan, om het niets, de leegte. Otto verwees al naar hoofdstuk 6 van mijn boek met de titel: De non-dualiteit van het absolute en het relatieve. Voor zover er vormen zijn in de ruimte en in de tijd, zijn deze niet fundamenteel verschillend van de leegte.
Het is wel van belang om die leegte te kennen, om die dimensie open te laten blijven. Als die dimensie niet open blijft, dan zoem je weer in op een beperkte situatie en zit je weer in de gescheidenheid, in de conflicten en de problemen. Nu om die ongedifferentieerde leegte te leren kennen, is er voor de meeste mensen gedurende enige tijd een praktijk nodig. Daarom is er die aansporing: ga nu maar die weg van het loslaten; leer die vrijheid maar kennen, anders blijf je zitten op een bepaald niveau van beperktheid, niet-weten en problemen. Dus dat dat proces tot in het oneindige doorgaat, dat vind ik heel belangrijk. 
Je ziet dat het ook mogelijk is bij allerlei mensen: ineens breekt alles open en dan ineens is er een totaal nieuwe situatie. Wat voor nieuwe situatie? Juist wanneer je zo naar binnen gaat en de openheid in steeds zuiverder vorm gaat ervaren omdat je je beperktheden loslaat, breekt ineens de echte openheid door. Alles komt ineens zo open, dat alles er mag zijn. Je gaat naar binnen toe, maar op een gegeven ogenblik - juist hoe meer je naar binnen gaat - komt het binnenste buiten. Dat betekent dat er geen scheiding meer is tussen binnen en buiten. 
Alleen als je je beperktheden kunt loslaten en jezelf als oneindig kan ervaren, is er de omkering en kun je pas alles accepteren. Dus je kunt wel zeggen dat de weg naar binnen toe gaat naar het ongedifferentieerde en dat dat een afstand nemen is, maar het is vooral een loslaten van de eigen gehechtheden, van je beperktheden, van onwetendheid, van de identificatie die er was met je lichaam, zelfbeeld, enzovoort. Als je terugkeert naar de ongedifferentieerde oorsprong, neem je daar afstand van en komt het in een groter geheel. Dan zie je de hele schepping pas goed, omdat er geen fundamentele weerstand meer is, ook geen weerstand tegen pijn, tegen lafheid, tegen gemeenheid, tegen alles wat we lelijk vinden. Het accepteren daarvan is onmogelijk op egoniveau, want daar wordt altijd gebruik gemaakt van afweermechanismen. Pas in vrijheid is er een volledige acceptatie. Hoe de dingen dan verder gaan als er geen eigenbelang meer is, blijkt vanzelf wel.

Dat ik meer spreek over het positieve: vrijheid, vrede, vreugde, dan over het negatieve, dat is ook niet toevallig. Het is een beschrijving van de sfeer die altijd vanzelf ontstaat als er meer ruimte komt. Als ik erover spreek, is het veel meer beschrijvend dan dat ik dat als waarde poneer: ‘daar moeten jullie achteraan’. Soms doe ik dat wel, maar dan zeg ik er meteen bij dat dat een worst is waardoor jullie tenminste in beweging komen. Het is mooi, maar het is geen hoogste waarde. Het is iets wat verschijnt, als er een verruiming komt van je eigen beperkte sfeer, bijvoorbeeld al bij een omhelzing. Dat geeft vreugde. Als je met iemand praat en er ineens een onderling begrip ontstaat, geeft dat vreugde. Waarom? Omdat de onderlinge grenzen verdwijnen en omdat er een grotere sfeer ontstaat. Sommigen zoeken die in hard racen met een auto en ja, er komt een grotere ervaringsruimte én het vreugdevolle gevoel groots te leven. Dat grootse leven vindt iedereen prachtig. Waarom? Het gaat niet om de specifieke dingen, nee, het gaat om het ervaren van een grotere zijnsruimte en die heeft vreugde in zich. Een ander voorbeeld zie je soms aan het eind van iemands leven, en bij sommigen wel eerder. Sommige mensen die door allerlei pijnen en moeilijkheden zijn gegaan, kunnen blijkbaar: “Het is goed.” Hoe is dat mogelijk? Dat is mogelijk als er een grotere ruimte ontstaat waarin alles wat zo pijnlijk en leedvol was terecht komt. Vanuit die ruimte wordt gezegd: “Het is goed.” Die goedheid heeft niets meer te maken met de tegenstelling tussen goed en kwaad, tussen pijn hebben en vreugde voelen. Het is iets wat boven de tegenstellingen uit gaat.
Otto weet genoeg van Plato, ook dat Plato iets in die richting bedoelde wanneer hij verwees naar de hoogste ideeën. Het zijn dan geen ideeën die je ver weg in een ideeënrijk plaatst. Nee, voor de filo-soof betreft het, als het goed is, zijn eigen zijnssfeer die voorbijgaat aan de tegenstellingen. Daarbij stelde Plato het Goede als de belangrijkste idee en dat is niet zomaar. Nee, dat ervaar je, als die idee zich werkelijk toont. Daarom kunnen mensen op een gegeven ogenblik zeggen: “Alle leed en pijn zijn opgenomen in iets wat ik toch weer het Goede noem.” Voor zover het gaat om een stemming of emotie die daarmee gepaard gaat, is dat vreugde, gelukzaligheid.
Dus nogmaals, ik verdedig het positieve niet als een hoogste waarde, maar beschrijf het als iets wat op spirituele pad vanzelf ontstaat als de tegenstellingen doorzichtig worden.

Ten slotte is er nog het punt van de lichamelijkheid bij de spirituele ontplooiing. Ik geef lichamelijke oefeningentjes, omdat zij bij veel mensen blijken te werken. Als je terugkeert naar je gevoelsmatige sfeer in je lichaam, kun je heel duidelijk allerlei belangrijke vasttellingen doen. Als je werkelijk in je lichamelijke sfeer duikt, kun je, bijvoorbeeld,  onderzoeken waar die ophoudt. Ga maar na. Je gaat letterlijk terug naar binnen toe en je ervaart de eigen zelfsfeer. Die ervaring is steeds een directe vaststelling. Je kunt je dan bijvoorbeeld afvragen: hoe groot is deze lichamelijke sfeer? Dan kun je naar links en naar rechts gaan, naar voren en naar achteren, maar vind je dan ergens een einde? Die ruimte houdt nergens op. Ik heb nog nooit iemand gehoord die zegt: hij houdt bij de huid, of ergens na 5 meter op. De eigen zijnssfeer blijkt oneindig te zijn. Otto zegt dan dat het middeleeuwse godsbewijs nog niks bij is. Nee, dat is zo, omdat het hier niet om een argumentatie gaat, maar om een concrete ervaring.
Als Otto opmerkt dat hij niet kan voelen of de buren thuis zijn, kan dat kloppen. Daar gaat het niet om. Je ervaart je eigen zijnssfeer op een actuele wijze. Als er bepaalde verschijnselen in opkomen, komen ze daarin op. En als ze er niet in opkomen, komen ze er niet in op. Als de buren er niet in opkomen, zijn zij niet thuis, ook al zitten ze er misschien als je een andere benaderingswijze volgt. Werkelijkheid is afhankelijk van je benaderingswijze.
Wat je vaststelt, als je in je eigen bewuste lichamelijke zijnssfeer duikt, is in ieder geval dat die sfeer oneindig is, zonder grenzen, zonder breuken, zonder scheidingen. Je kunt het verder gaan bekijken, als je je voorbeeld je armen uit elkaar doet en de ruimte voelt, en als iemand je omhelst. Wat gebeurt er dan? Er is toch geen dualiteit te vinden? Er ís geen dualiteit te vinden. Dus de verwijzing naar het lichamelijke geeft een goede mogelijkheid om heel concreet de non-dualiteit te ervaren. Dat is dus heel eenvoudig. Je omhelst iemand en direct stel je vast: er is geen tweeheid. Er is geen territorium-verdediging. Je gevoelsmatige lichamelijke sfeer komt open en daarin zit geen grens! Je komt oneindig open en daarin is iedereen en alles opgenomen.
Als je je gaat opstellen als persoon en opmerkt dat je niet kan horen wat de buren zeggen, is er een heel andere situatie, is er een heel ander standpunt. Dat standpunt kan onder bepaalde, maar niet alle omstandigheden relevant zijn. Als het werkelijk open komt, blijken alle standpunten als mogelijkheid aanwezig te zijn. Net als Otto zegt, is die openheid niet steriel. Het is de ruimte waarin juist al die standpunten en situaties mogelijk zijn. Maar juist omdat je alles open houdt, blijft het grote geheel intact. Dat blijft de omvattende context. Dan is het duidelijk: dit is mijn bewuste sfeer van aanwezig-zijn. Dan is er geen voorkeur voor het één of het ander. Die open context zorgt ervoor dat er een non-dualiteit blijft.


Er is geen tweeheid

als je ontspannen bent
in zelf-bewustzijn
is dat duidelijk.


  • Non-dualiteit - de grondeloze openheid

    Non-dualiteit is niet-tweeheid (Sanskriet: a-dvaita), de afwezigheid van scheidingen. Deze openheid vormt de kern van elke spiritualiteit en mystiek. Maar wat is non-dualiteit nu precies? Daarover gaat het nieuwe boek van Douwe Tiemersma. In zijn vorige boeken stond de non-dualiteit ook al centraal, maar nu laat hij stap voor stap zien wat non-dualiteit in de eigen ervaring betekent. Iedereen blijkt die ervaring te kennen en te waarderen.

  • Pranayama

    Dit boek is een praktische handleiding bij het beoefenen van pranayama. Alle onderdelen van de traditionele pranayama komen hierbij aan bod.

  • Mediteren leren

    Dit boek geeft een handleiding bij het leren mediteren voor beginners en voor de gevorderden die nog eens bij het begin willen beginnen. Het uitgangspunt is de spontane meditatie, die iedereen af en toe heeft. 

  • De bron van het zijn

    ‘Wat was mijn toestand, voordat er ervaring was? Wie was er om op deze vraag te antwoorden? … dat Ik dat geen vorm heeft en zichzelf niet kent als ik ben.’

Boeken

Douwe schreef en redigeerde gedurende zijn leven boeken. Via onze uitgeverij zijn deze nog verkrijgbaar.

Bekijk het aanbod