2009/11 In vrijheid is er geen zorg meer voor het ik

Jaargang 10 nr. 19 (24 november 2009)
10-29bordje
Mededelingen
 

Heeft u het bordje al gezien bij de ingang van het centrum? Met dank aan Marleen, Pia en Mieke. Het past daar.

De dag met de workshop ‘Kennismaking met non-dualiteit’ in samenwerking met het tijdschrift Koorddanser nadert al snel: zaterdag 28 november 2009. Deze bijeenkomst staat open voor iedereen. U kunt zich nog inschrijven - zie de Aankondiging.
Op zondag 13 december is er weer een Stiltedag. Dan is er weer een vreugdevol en helder verglijden in diepe stilte.

De teksten hieronder
Na aantekeningen van een advaitadag te Brugge, vindt u het tweede gedeelte van het artikel over lichaam en geest. In het eerste gedeelte (in de vorige AP) werd aangetoond dat voor het begrijpen van de relatie tussen lichaam en geest een overkoepelend begrip nodig is: het verschijnsel. Tussen de energetische verschijnselen van lichaam en geest is een glijdende overgang mogelijk. Dat is de visie in het oude India. Vandaag komt de non-dualiteit van subject en object aan de orde. Voor geïnteresseerden.



 

Uit gesprekken op zondag 15 november 2009 te Brugge
 

Aantekeningen van Danny

Meestal is je aandacht een gericht bewustzijn op een object. Het brandpunt van je aandacht gaat tijdens de dagelijkse activiteiten overal naar toe. Die vorm van aandacht is een verenging van bewustzijn; het is een zelf-spanning.
Bij het stilzitten keer je de aandacht terug naar de bron. Er is dan een terugkeer naar jezelf. De focus van aandacht keert terug naar haar bron in jezelf. Dat veroorzaakt een verruiming en een diepe ontspanning.
Dat gebeurt precies zo bij het slapen, maar men is er zich meestal niet van bewust. Tijdens het slapen keer je terug naar jezelf en zak je weg in een aangename diepe ontspanning. Blijf hierbij intern helder, dan weet je dat het een oneindig open komen is.
Keer terug naar die oneindige ontspanning in helderheid. Door de ontspanning verdwijnt elke scheiding. In die ruimere sfeer van jou, ontdek je dat conditioneringen niet nodig zijn. Je hele zijnssfeer komt op een verfijnde manier universeel open. In die meditatieve sfeer is er een inkeer en een open komen. Dan valt over het zelf-zijn niet meer te zeggen dan dat het open is; het is een open sfeer van bewustzijn en gelukzaligheid.

Ga na hoe zit het met jezelf. Wanneer ben je het meest jezelf?
Door terug te keren naar jezelf treedt er een ontspanning op. Stel dit duidelijk vast.
Die zijnservaring heeft iedereen regelmatig. Alleen als je je er niet van bewust bent, is het heel vluchtig. Wees innerlijk bewust van je eigen situatie.
Laat alle verschijnselen los in de openheid van jezelf. Je lichamelijkheid is meestal weg, af en toe komt het nog eens op. Dan is het duidelijk: je lichamelijke situatie is ontzettend betrekkelijk. Vanuit het zelf-zijn is het ook duidelijk dat tijd kan opkomen en weer verdwijnen. Zie de betrekkelijkheid van het tijd-ruimte aspect. Je bent zelf niet gevangen door tijd en ruimte. Je zelf-zijn is een hogere werkelijkheid die daar vrij van is.

Je bent universeel jezelf. Je bent jezelf in die oneindige ruimte.
Keer de aandacht naar binnen, breng het object naar het subject, naar de bron van aandacht, naar de kern van jezelf. Dan treedt een verruiming op en het wegvallen van scheidingen. Bij het terugkeren naar jezelf lossen alle tegenstellingen en conflicten op. Let op dat je niet opnieuw in structuren vast komt te zitten.
Primair is er het zelf-zijn dat open en ontspannen is. Secundair zijn er de vormen en structuren. Verlies je daar niet in. Laat het zelf-zijn open blijven. Dan blijven de vormen doorzichtig. Jouw werkelijkheid wordt niet beperkt door tijd en ruimte. Herken de heerlijke openheid. Stel dit oneindig vrij-zijn helder vast. Blijf in die toestand van heerlijke openheid.
Zo verdwijnt de oude identiteit. Het geloof in een beperkte identiteit is een illusie. Wat er ook gebeurt, zorg ervoor dat je je niet met iets gaat identificeren, beperk jezelf niet. Blijf in die aangename ontspanning.
Is er pijn, beperk je niet tot die pijn, maar blijf bij je grote zelf-zijn. Identificeer je niet met de pijn. De pijn is er wel, maar jij bent de pijn niet.
Als je geïdentificeerd bent met je lichaam, ben je chanteerbaar door je lichaam. Ben je vrij, dan ben je ook vrij van lichamelijke identiteit.
Blijf bij de universele aanwezigheid en vernauw jezelf niet. In vrijheid is er geen zorg meer voor het ik. In vrijheid zijn er geen egocentrische motieven meer. Daar waar de persoonlijke structuur verdwijnt, gebeuren wonderen.

 

De relevantie van de Indiase filosofie voor de westerse lichaam-geest problematiek – deel 2, slot
 

Verscheen in: Filosofie 19 nr. 5 (okt./nov. 2009), 36-40

3. De eerste en de derde persoon

3.1 Naast de problematiek van lichaam en geest is er die van wat grammaticaal wordt aangeduid als de eerste en de derde persoon. De eerste persoon is de bron van de waarneming en van het handelen. De derde persoon is het object van de waarneming en het handelen en dat object, zo zagen wij, kan zowel lichamelijk als geestelijk zijn.
Het categoriale systeem dat in het Westen dominant was en is, maakt meestal geen duidelijk onderscheid tussen de mentale objecten en de eerste persoon als bewust-zijn. In het ‘ik denk’ (cogito) zitten zowel het ik als subject van het denken als de mentale denkverschijnselen. Dit complex van geest-bewustzijn wordt tegenover de materiële wereld gesteld. Deze categoriale structurering blijkt in de filosofische discussies, onder andere over de qualia van het bewustzijn, verwarrend te werken. Als de mentale verschijnselen categoriaal bij de materiële worden gevoegd, blijft de problematiek van de relatie van de eerste persoon en de derde-persoons verschijnselen van materie en geest over.
Om deze relatie tussen de eerste persoon en de derde-persoons verschijnselen te begrijpen, worden wij er logisch toe gedwongen om een hogere categorie in te voeren waarin beide zijn opgenomen. Deze hogere categorie combineert de eerste en de derde persoon, het ik en de ander / de andere dingen, het subject en het object, de waarnemer en het waargenomene. Zowel het subject als het object kunnen, als lagere categorieën, elkaar niet in zich opnemen. De enige hogere categorie betreft dat aspect dat beide gemeenschappelijk hebben en waarin geen dualiteit van beide aanwezig is.

3.2 De subject-object non-dualiteit is de kern van verschillende filosofische tradities in India. Speciaal de Advaita Vedânta geeft een uitgebreide filosofie van het non-dualisme.9 In de Upanishaden, dat is de oorspronkelijke Vedânta, zijn al veel verwijzingen te vinden.10 Bekend zijn de steeds terugkerende woorden van de vader aan zijn zoon Svetaketu in de Chândogya Upanishad (6.8-13):

 

Dat wat deze subtiele essentie uitmaakt, dat alles heeft Dat als het zelf. Dat is waarheid. Dat is het âtman. Dat ben jij, o Svetaketu.


Het ‘Dat’ (brahman) is in de Upanishaden de wereldgrond, de grondslag en mogelijkheidsvoorwaarde van alles. Dat is niet kenbaar, omdat het geen kenbare eigenschappen heeft. Toch is het alles. Over de kern van zelf-zijn (âtman) is hetzelfde te zeggen. Als het eigenlijke subject van het kennen kan het niet als object gekend worden. Toch is er een leeg zijnsweten van zowel het brahman als het âtman en van de non-dualiteit van beide (vidyâ, jñâna). Over deze non-dualiteit kan niets worden gezegd.
Wat als laatste gezegd kan worden is dat er een oneindige ruimte is van één zijn-bewustzijn. Dat is nog een uiterst subtiele ervarings- of bewustzijnsruimte waarin alle verschijnselen verschijnen. Omdat het een ervaringsruimte is, is er nog een subjectiviteitskwaliteit. Er is een zijnservaring van oneindig vormloos zelf-zijn, ‘ik-ben’. In deze bewustzijnsruimte met daarin de verschijnselen kan er een non-dualiteit van zelf-zijn en het andere / de ander worden vastgesteld:

 

Wie al het bestaande ziet binnen het eigen Zelf en zichzelf in al het andere, wijst niets af.
(Îshâ Upanishad 6)


Ook in de Bhagavadgîtâ wordt naar die non-dualiteit verwezen, bijvoorbeeld in 6.29:
 

Zichzelf in alle wezens
en alle wezens in zichzelf
ziet degene wiens zelf een geheel geworden is door yoga;
hij ziet hetzelfde overal.


Het is de realisatie van het hoogste standpunt (Shankara) waardoor de waarheid van de non-dualiteit van subject en object herkend wordt. Vanuit die non-duale werkelijkheid komt de divergentie van ik en wereld op door middel van een identificatie van zelf-zijn met iets beperkts (lichaam, persoon) tegenover de wereld. De non-duale waarheid wordt dan niet meer gekend (avidyâ).

3.3 In de ervaring kan naast de subject-object dualiteit ook de non-dualiteit van beide worden gevonden. De weg hiernaar toe wordt uitgebreid in de Advaita Vedânta besproken.
Je kunt je bewust worden van jezelf als eerste persoon die geïdentificeerd is met fysieke en mentale verschijnselen. Dat is de achtergrond waarvan je als persoon in het waarnemen en het handelen uitgaat en die medebepalend is voor je activiteiten. Die achtergrond bestaat onder andere uit het lichaam, de familie, de taal, de verworven kennis, de persoonlijke geschiedenis. Al deze materiële zaken, kennis en vooronderstellingen behoren tot de persoonlijke identiteit. Zij zijn meestal niet duidelijk in het bewustzijn aanwezig, juist omdat ze zo vanzelfsprekend zijn. Ze behoren tot de stilzwijgende kennis die deel is van het waarnemende en handelende subject.
Bij de verdere bewustwording wordt het duidelijk dat je als eerste persoon is nooit volledig identiek met deze materiële en mentale verschijnselen bent. Als subject kun je nooit volledig object worden. Dat besef is een besef van vrijheid.
De identificatie met vormen kan dus zichtbaar worden in een reflexieve beweging. De dingen en structuren waarmee je als eerste persoon geïdentificeerd bent, ervaar je dan als derde-persoons verschijnselen. Dat geldt ook voor de mentale verschijnselen. Je kunt als reflexieve waarnemer dan vaststellen dat je als waarnemer niet samenvalt met deze verschijnselen en hen loslaten. Door het verdergaande inzicht dat je niet samenvalt met de verschijnselen en door diepere ontspanning wordt je vrijer van de identificatie ermee. Deze grotere vrijheid toont zich in de verruiming van de eigen bewuste zijnssfeer. De verdergaande reflexiviteit, het verder naar binnen gaan, gaat gepaard met een grotere openheid voor alles wat zich aandient. Jezelf bewust zijn als bewust-zijn gaat dan over in een opening voor alles wat daarin verschijnt als niet-verschillend van het eigen zijn. Er is een non-dualiteit van zelf-bewust-zijn en object-zijn. Het subject dat nooit object kan worden, is fundamenteel niet verschillend van het object.
Vanuit een persoonlijke identiteit met feitelijke zaken in de wereld kan de non-dualiteit zich ook manifesteren door vast te stellen dat in je eigen lichaam al een zekere non-dualiteit van subjectiviteit en objectiviteit aanwezig is. Door zelf nog op bewuste wijze meer in die lichamelijke non-dualiteit te duiken, blijkt die non-duale sfeer zich oneindig te ontplooien tot een universele non-dualiteit van zelf-zijn en de verschijnselen.

4 Conclusie

De fundamentele problemen van het grootste deel van de westerse filosofie van lichaam en geest worden veroorzaakt door een bepaalde ontologische categorisering. Door een andere categorisering verdwijnen deze problemen. Deze categorisering wordt logisch vereist, is te vinden in de Indiase filosofie en wordt bevestigd in de ervaring. Ze ondersteunen elkaar in de stellingen dat fysiek-lichamelijke en mentale verschijnselen zich op één schaal bevinden van grove versus fijne of subtiele materialiteit en dat er een non-dualiteit van subject en object is. Zij maken zowel de verschillen als de relatie tussen lichaam en geest/bewustzijn begrijpelijk. Deze convergentie van benaderingen en de oplossende werking ten aanzien van een uiterst moeilijke filosofische problematiek geven deze visie een sterke status.
Omdat deze benadering niet los staat van de filosofie en de praktijk van de Advaita Vedânta is deze uiteenzetting een voorbeeld van de mogelijkheid dat kennisname van niet-westerse filosofieën nuttig kan zijn voor de filosofie in het algemeen.

Noten
9) Zie voor deze paragraaf bijvoorbeeld Douwe Tiemersma, Non-dualiteit – de grondeloze openheid, Uitgeverij Advaita, Heinenoord 2008 en ‘Shankara’ in: 25 eeuwen oosterse filosofie, o.c.
10) De citaten zijn uit: D. Tiemersma (red.), De elf grote Upanishaden. Tekst en toelichting, Uitg. Advaita Centrum, Leusden 2004


Een hartelijke groet aan allen,
Douwe Tiemersma


Er is geen tweeheid

als je ontspannen bent
in zelf-bewustzijn
is dat duidelijk.


  • Satsang

    Dit boek is een bloemlezing van satsangs gehouden door Douwe Tiemersma. Bijeenkomsten waarin hij als advaitaleraar de kern van het advaita inzicht doorgeeft.

  • Advaita Vedanta - de vraag naar het zelf-zijn

    De actuele vraag ‘wie we eigenlijk zijn’ was het onderwerp van een symposium aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op 18 september 2000, waarin vooral de oude Upanishaden en de Advaita Vedânta aan het woord kwamen.

  • De ander en ik

    Dit boek bevat de lezingen en enkele andere teksten van het 2e Advaita Symposium over de relatie van 'de ander en ik'. De vragen kwamen aan de orde: Wat is de aard van de ander; in hoeverre of in welke zin verschilt de ander van mij en in hoeverre vormen wij een eenheid? De bespreking van deze vragen kon een verheldering geven van problematieken als ‘de aard van het zelf’, ‘de mogelijkheid van communicatie’ (in hoeverre kunnen wij elkaar begrijpen?), ‘de grondslagen van ons morele gedrag’ en ‘de ander als leraar’.

  • Mediteren leren

    Dit boek geeft een handleiding bij het leren mediteren voor beginners en voor de gevorderden die nog eens bij het begin willen beginnen. Het uitgangspunt is de spontane meditatie, die iedereen af en toe heeft. 

Boeken

Douwe schreef en redigeerde gedurende zijn leven boeken. Via onze uitgeverij zijn deze nog verkrijgbaar.

Bekijk het aanbod