8-15 Ook wanneer het om ‘verbeter de wereld’ gaat, geldt ‘begin bij jezelf’

Jaargang 8 nr. 15 (3 oktober 2007)
8-15Poes

Zie, ook in de ogen van Polle: het zelf van alles is licht
Deur

Kleine kinderen zijn voordurend een spiegel voor volwassenen. Bijvoorbeeld, Joaquin rijdt met auto-tjes door de kamer op wegen gemaakt van planken. Er staat een muur van blokken met daarin een poort. De auto kan er niet door. ‘Ik wil door de deur, maar ik kan er niet uit. Een spook heeft de deur op slot gedaan. Nu moet ik de sleutel zoeken.’ Even later wordt de deur omver gereden: ‘Nou heb ik de sleutel en kan ik erdoor.’ De deur wordt nu verplaatst dichter bij de garage annex woonhuis. ‘Dan kan het spook er niet door.’ Even later worden alle blokken door elkaar gegooid en huppelt Joaquin de tuin in.
Mensen zijn op weg en ervaren problemen om verder te komen. Vaak zijn er gesloten deuren. Ze zoeken naar een oplossing en als ze die hebben gevonden kunnen ze verder. Deuren vormen een afsluiting, maar ook een doorgang. De opening van de deur is echter ook gevaarlijk Daarom voelt het veiliger de deur weer dicht te doen. De gesloten deur is een hindernis, maar ook een veilige bescherming. Hindernissen bij verruiming worden vaak in stand gehouden door angst voor de ruimte. Dit gaat door, totdat het spel uit is, niet meer interessant is. Er is alleen de grote ruimte.

Tekst

De directe weg van zelfrealisatie (deel 1)
In: De innerlijke weg. Spirituele tradities over verinnerlijking, Th. van Leeuwen en H. Muijen (red.), Ten Have, Kampen 2007, i.s.m. St. Filosofie Oost-West

Voordat de weg van zelfrealisatie wordt besproken, is het nuttig te kijken naar de algemene structuur van spirituele wegen en de diverse wegen van het hindoeïsme. De weg van inzicht in het zelf-zijn krijgt daarbij de meeste aandacht. Deze blijkt eigenlijk geen weg te zijn. Deze directheid en de aspecten van binnen en buiten komen in verschillende benaderingen aan de orde. Steeds staat daarbij de non-dualiteit van binnen en buiten centraal.

De notie van een spirituele weg
We spreken over spirituele wegen, maar wat is kenmerkend voor die wegen? In de notie van een weg zitten de elementen van a) een begin, b) de weg zelf en c) het eindpunt. Als mensen een spirituele weg willen gaan, is er deze structuur. Daarbij gaat het om de eigen existentie, om jezelf, zoals je a) begint de weg te begaan, b) de weg afloopt en c) het eindpunt bereikt.
In het begin (a) is er meestal een gemis en een verlangen. Daarom ga je op weg. Blijkbaar is er direct in het begin al een weten of hopen dat de onbevredigende situatie verbeterd kan worden. Er is een besef van de richting waarin de weg moet gaan en van de situatie waarin het verlangen is vervuld. Dat besef is des te sterker naarmate het begin minder door het onbevredigd-zijn wordt gekleurd en meer door het positieve perspectief. Soms speelt het lijden nauwelijks een rol, omdat er vooral nieuwsgierigheid is of omdat al zoveel van het einddoel wordt ervaren. Negatieve en positieve aspecten van motivatie spelen echter altijd beide een rol aan het begin van een spirituele weg.
Ook over de weg (b) is direct al iets meer te zeggen. Vanuit het verlangen zou de weg naar een situatie moeten leiden waarin het verlangen is vervuld, waarin geen gemis aanwezig is. Is dat te regelen door in de buitenwereld te werken? Je kunt je inzetten voor het welzijn van andere mensen, voor het bevorderen van een betere wereld. Dat is uitstekend, maar het is de vraag of dat oplevert wat je verlangt. Wat zie je vaak gebeuren bij mensen die uitsluitend de weg naar buiten nemen, zonder ook de weg naar binnen te gaan? Ze lopen zichzelf voorbij. Er blijven blinde vlekken die zich wreken in het werk dat met goede bedoelingen is begonnen. Er zal een inkeer en zo een groeiende zelfkennis moeten zijn. Ook wanneer het om ‘verbeter de wereld’ gaat, geldt ‘begin bij jezelf’.
De noodzakelijke zelfkennis geldt vooral het verlangen. Dat is oneindig. Als je dingen in de wereld verlangt, zijn dit beperkte doelen. Het bereiken van beperkte doelen is geen eindpunt van het verlangen, want steeds opnieuw zijn er nieuwe dingen om te verlangen. Dat proces is eindeloos, want het verlangen is oneindig. Een bewustwording van dit gegeven, waarvoor inkeer noodzakelijk is, kan veel frustraties en omwegen voorkomen.
Ook voor zover het duidelijk wordt dat de oneindigheid buiten, in anderen, in de wereld of kosmos, van doorslaggevend belang is op de weg, is een reflectie op de eigen situatie noodzakelijk voor een verdere ontwikkeling. Hier gaat het speciaal om het open blijven voor het oneindige of voor dat wat je ontmoet. Een inperking van je bewust-zijn betekent een slechtere oriëntatie op je weg en dus een grotere kans op afleiding en omwegen. Een uitbreiding van bewustzijn naar binnen, zodat je eigen bewustzijnssituatie duidelijk is en open blijft, is het enige wat je kunt betrachten of beoefenen. Voor zover er een weg is, zal dat in ieder geval ook een innerlijke weg zijn.
Het doel (c) is de situatie waarin het gemis heeft plaatsgemaakt voor volledigheid, heelheid; waarin het verlangen is vervuld. Ook als men iets bescheidener is en tevreden is als het doel iets dichterbij is gekomen, blijft er principieel de gerichtheid op het volledige doel. Het verlangen was oneindig. Dat betekent dat eenheid met alles en iedereen wordt verlangd. Het doel is die situatie van eenheid, non-dualiteit.

In het hindoeïsme bestaan veel verschillende wegen. Alle soorten wegen die je maar kunt bedenken zijn er te vinden. De vier belangrijkste komen hieronder aan de orde. Alle vier zijn gericht op het bereiken van een staat van grotere eenheid, dat wil zeggen, op bevrijding van beperkingen die er in het gewone leven zijn. In het hindoeïsme wordt het doel vaak geformuleerd als de bevrijding (moksa) van de kringloop van wedergeboorten.

Ascetisme
Dit is een weg naar binnen die al in de oudste culturen aanwezig is. Als het gaat om een spirituele weg, moet je vrijkomen van dingen waaraan je vastzit. Je moet je onthouden van de dingen in de wereld waar je je zinnen op hebt gezet, die je belangrijk vindt. Daarom geldt de onthouding ook voor je aandriften, die zorgen dat je achter allerlei dingen in de wereld aangaat. Je zult niet meer op een primaire wijze moeten handelen voor je behoeftebevrediging en je niet meer moeten hechten aan alles wat je belangrijk vindt. Dat betekent zelfbeheersing.
Daardoor kom je dichter bij het doel van ascetisme: onafhankelijk worden van wereldse zaken en van de innerlijke gerichtheid daarop en zo opheffing van de menselijke beperkingen. Het gaat daarbij ook om de opheffing van de fundamentele afhankelijkheden. Dat zijn vooral de beperkingen van het lichaam met zijn ziekte, aftakeling, sterven.
Deze beperkingen worden aangepakt op het meest fundamentele niveau. Het lichaam heeft voedsel nodig en als je daaraan toegeeft blijf je eten en misschien wel vreten. Onafhankelijk worden van voedsel gaat via vasten en dat wordt dan ook veel beoefend. Niet lang geleden werd Nederland bezocht door een dame die beweerde alleen te leven van de kosmische energie (prâna) en dat feit alleen al maakte haar bijzonder in haar eigen ogen en in die van anderen. Verder is er de afhankelijkheid van ademlucht. Als je de laatste adem uitblaast, sterf je. Als je niet van adem afhankelijk bent sterf je niet. Dus dan beoefen je pranayama. Een belangrijk doel van de ascetistische pranayama is het onafhankelijk worden van de ademlucht. De perioden waarin de adem stilstaat worden langer, tot bijvoorbeeld vier dagen waarin men onder de grond begraven ligt. Dat is de ascetische inzet: als je onafhankelijk wordt van de levensvoorwaarden, heb je het eeuwige leven; als je vrij wordt van de beperkingen die inherent zijn aan het leven, wordt je onbeperkt. Doelstellingen van het ascetisme zijn dan ook het eeuwige leven, onsterflijkheid, bovenmenselijke vermogens (siddhi’s), onbeperktheid. De weg is die van inkeer en terugtrekking, niet alleen vanuit het sociale leven (zie het spreekwoordelijke zitten op de Himalaya), maar ook vanuit het fysieke lichaam en in het algemeen vanuit de grove materie.
Dat geldt ook voor de subtiele substanties of energieën die zijn ontstaan door handelingen in het verleden en doorwerken in de toekomst (karma). De asceet wil geen nieuw karma laten ontstaan en wil daarom niet meer handelen. Het oude karma kan dan door allerlei praktijken verdwijnen.

Handelen (karma)
In tegenstelling tot het ascetisme is de weg van het handelen naar buiten gericht. In de Vedische tijd werd het religieuze handelen gezien als de belangrijkste weg naar het ‘heil’. Dit handelen betrof vooral vuuroffers uitvoeren en daarbij zangen en begeleidende teksten reciteren. Het doel was vooral het verkrijgen van het goede leven: een goede oogst, veel nakomelingen, een lang leven, enzovoort. De relatie tussen handeling en resultaat zag men als een vaststaande verbinding tussen oorzaak en gevolg. Deze visie is een magische: als je de kennis hebt om op een juiste manier te handelen en dat ook doet, geeft de handeling via innerlijke relaties automatisch het resultaat. Het brengen van een vuuroffer vlak voor zonsopkomst is dan niet alleen ter begeleiding, maar ook een noodzakelijke voorwaarde voor het opkomen van de zon. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Brahmanen ontzettend belangrijk werden in de Vedische maatschappij. De invloed van het handelen gaat, zo was de gedachte, via het kosmische geheel waarin de goden machtig zijn. De orde van de kosmos staat open voor magische beïnvloeding. Als de kosmische ordening verstoord is, kan die ordening worden hersteld via de innerlijke verbanden, als je daar kennis van hebt.
Deze magische notie is ook tegenwoordig aanwezig: als ik dit doe, dan krijg ik dat; dít handelen heeft dát tot gevolg. Dat is de grondslag van de techniek. Als het resultaat er niet komt, is er verwondering: hoe is het mogelijk? De magie wordt dan verbroken en dan weet je het niet meer. We denken dat wij door het opstellen van natuurwetten de magie zijn ontstegen, maar die zit nog wel degelijk in het gelovig gebruik maken van deze wetten die toch grenzen van toepassing hebben. Ook op religieus terrein speelt de vraag van het handelen een rol. In het christendom bijvoorbeeld, was en is er de vraag in hoeverre de mens door zijn handelen kan bijdragen aan zijn verlossing. Tegenover het idee dat die bijdrage mogelijk is, staat de visie dat verlossing alleen door goddelijke genade kan plaatsvinden. Velen zijn van mening dat het handelen, ook het rituele handelen, kan bijdragen aan de zuivering en de goede oriëntatie van degenen die hierbij zijn betrokken, waardoor er een grotere ontvankelijkheid voor genade ontstaat.

Devotie (bhakti)
Devotie is liefdevolle toewijding, in de religieuze context, aan God. Daarbij kunnen de volgende richtingen worden onderscheiden.
1) God en mens zijn blijvend gescheiden. God is de schepper en de mens het geschapene. Van mensen wordt verwacht dat ze zich op een goede manier verhouden tot God of de goden. Daarbij gaat het er niet om iets gedaan te krijgen in termen van oorzaak en gevolg, want God laat zich niet manipuleren. Je moet je dus op een andere manier richten tot God, je kunt bijvoorbeeld vragen aan God of hij alles zo wil regelen dat de gewenste situatie er komt. Dat is een vorm van bidden om toch een bepaald doel te bereiken: een goed leven, een toestand van vrede en geluk, de hemel. Maar, ook in ruimere zin gaat het om een goede verbinding (religare) met God, bijvoorbeeld door zijn wetten na te leven. Als die verbinding goed is, is er het goede leven. In de christelijke traditie is de notie van scheiding dominant geworden. Tussen God en mensen bestaat een kloof die door geen mens wordt overbrugd. De enige uitzonderling is de zoon van God, Jezus. Daarom is de tussenkomst van Jezus nodig bij de goede verhouding tot God. In het grootste gedeelte van het praktische hindoeïsme overheerst ook de notie van afstand tussen mens en de goden. Ook hier gaat het om de goede verhouding in deze relatie, bijvoorbeeld door kleine en grote offerrituelen, liefdevolle meditatie op of reciteren van de naam van God of een goddelijke incarnatie, bijvoorbeeld Krishna. In een deel van de hindoeïstische filosofie wordt het dualisme duidelijk geformuleerd en beargumenteerd (o.a. door Madhva).
2) In de mystieke stromingen is er is in principe eenheid met God mogelijk. Vaak wordt gesteld dat de eenheid er fundamenteel is. In de mens zit dan altijd al een goddelijke kern. Het vraagt van mensen liefdevolle toewijding tot God en overgave om die kern te laten ontplooien en die eenheid te gaan ervaren. De overgave betekent het offer van wat je zelf belangrijk vindt. Het offeren als een magisch handelen van de Vedische religie krijgt hiermee een nieuwe betekenis. Voor het handelen betekent het offer nu: de vruchten van handelen niet voor jezelf houden, maar aan God geven. Zo wordt in de Bhagavadgîtâ (hoofdstuk 5) de weg van het handelen opnieuw geformuleerd als karmayoga. Het ascetisme wordt opnieuw vormgegeven: je onthouden van handelen gaat niet. Toch zul je geen nieuwe karmische resten moeten verzamelen: handel daarom zonder te handelen. Dit is vergelijkbaar met het daoïstische doen- niet doen (wei wu wei). Uiteindelijk loopt de mystieke weg uit op de volledige overgave aan God.
In beide devotionele stromingen is er een weg vanuit de afgescheidenheid naar een nieuwe situatie van verbinding of eenheid met God of het goddelijke door middel van liefdevolle toewijding en overgave. Elementen van de wegen naar binnen en naar buiten gaan hierbij hand in hand.

Inzicht (jñâna, vidyâ)
Het vervolg van dit artikel gaat over de vierde weg, die van het inzicht. Daarbij zal het duidelijk zijn dat inzicht op de drie bovengenoemde wegen niet helemaal ontbreekt. Net zoals in de devotionele religie het ascetisme en het juiste handelen aanwezig zijn, is er ook inzicht aanwezig. De interpretatie van het belang en de aard ervan wordt echter bepaald door het zwaartepunt dat in de religieuze toewijding is gelegen. We zullen ook zien dat op de weg van het inzicht de belangrijke punten van de drie andere wegen niet afwezig zijn.

Een hartelijke groet,
Douwe Tiemersma


Er is geen tweeheid

als je ontspannen bent
in zelf-bewustzijn
is dat duidelijk.


  • Advaita Vedanta - de vraag naar het zelf-zijn

    De actuele vraag ‘wie we eigenlijk zijn’ was het onderwerp van een symposium aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op 18 september 2000, waarin vooral de oude Upanishaden en de Advaita Vedânta aan het woord kwamen.

  • De elf grote Upanishaden


    De Upanishaden vormen de grondslag van een groot gedeelte van de Indiase filosofie. Ze worden ‘Vedânta’ genoemd, dat is het einde en de culminatie van de Veda’s. De wijsheid die in de teksten naar voren komt is nog steeds een onschatbare bron, zowel in India als daarbuiten. Centraal staat daarin de visie en zijnservaring dat de kern van zelf-zijn identiek is aan de grondslag van wereld en universum.
    In dit boek is een groot gedeelte van de belangrijkste Upanishaden (8e-6e eeuw v.Chr.) opgenomen.

  • Mediteren leren

    Dit boek geeft een handleiding bij het leren mediteren voor beginners en voor de gevorderden die nog eens bij het begin willen beginnen. Het uitgangspunt is de spontane meditatie, die iedereen af en toe heeft. 

  • Satsang

    Dit boek is een bloemlezing van satsangs gehouden door Douwe Tiemersma. Bijeenkomsten waarin hij als advaitaleraar de kern van het advaita inzicht doorgeeft.

Boeken

Douwe schreef en redigeerde gedurende zijn leven boeken. Via onze uitgeverij zijn deze nog verkrijgbaar.

Bekijk het aanbod