R.C. Pandeya en Manju, ‘Purva Mimamsa en Vedanta’


In: Companion Encyclopedia of Asian Philosophy, edited by Carr & Mahalingam, 1997, Routledge London & New York, pp 172-188



Mimamsa wordt gewoonlijk verdeeld in de eerdere (Purva) en latere (Uttara) Mimamsa: de eerste staat bekend als Purva Mimamsa en de tweede als Vedanta. Vroeger werden de benamingen Dharma Mimasa en Brahma Mimamsa gebruikt om respectievelijk Purva Mimamsa en Vedanta aan te geven. De termen ”dharma” en ”Brahman” geven ook vrij nauwkeurig het onderzoeksgebied van beide systemen weer.
Het woord ”dharma” wordt door Purva Mimamsa gebruikt om een handeling aan te geven die voorgeschreven is door de Vedische teksten. Jaimini houdt zich in zijn Mimamsa Sutra vooral bezig met het inzichtelijk maken welke handelingen er verricht moeten worden in overeenstemming met de Veda’s, waaraan een onfeilbare autoriteit wordt toegekend.
De term ”Brahman” wordt door Badaranya gebruikt om de laatste oorzaak aan te geven van alles wat bestaat. Een dergelijke realiteit kan niet op iets anders gebaseerd zijn, omdat al het andere veroorzaakt is; een dergelijke realiteit kan slechts gebaseerd zijn op een bron die tegelijk met de ultieme realiteit zelf geopenbaard is. Dus in beide gevallen worden de Veda’s als een onpersoonlijke openbaring geaccepteerd.
De verdeling van Mimamsa in vroegere en latere Mimamsa is enkel gekoppeld aan dharma en Brahman, en moet niet in chronologische zin opgevat worden. Beide systemen stellen dat de Veda’s geen relatie hebben met gebeurtenissen die zich in de tijd afspelen en dus ahistorisch zijn. In feite zijn er duidelijke aanwijzingen die suggereren dat de ”latere” Mimamsa van Badaranya chronologisch gezien ouder is dan de ”eerdere” Mimamsa van Jaimini. Het is echter niet mogelijk precieze data vast te stellen met betrekking tot deze twee auteurs, maar zeer waarschijnlijk is dat ze hebben geleefd tussen 200 vóór en 200 ná het begin van onze jaartelling.

In de Mimamsa Sutra gaat Jaimini vooral in op de aard van de te brengen offers, de precieze procedures die daarbij gevolgd moeten worden en de rol van de verschillende personen en voorwerpen bij deze rituelen. Omdat de Veda’s vele beweringen bevatten die tegenstrijdig zijn, tracht de Mimamsa Sutra deze contradicties te boven te komen door dwingende regels voor de tekstinterpretatie vast te stellen.
In overeenstemming met de basisgedachte dat filosofie zich bezig houdt met menselijk gedrag en dat de Veda’s voorzien in onfeilbare richtlijnen voor dit gedrag, beschouwt de Purva Mimamsa de Veda’s als een verzameling imperatieven. Descriptieve beweringen in de Veda’s worden gezien als beweringen die uit te voeren handelingen aanprijzen. Om de stelling te onderbouwen dat descriptieve beweringen ondergeschikt zijn aan prescriptieve beweringen, stelt Purva Mimamsa een theorie voor waarin alleen aan prescriptieve een betekenis wordt toegekend.
Purva Mimamsa is een onderzoek naar ”dharma”, maar dharma moet hier in een speciale zin opgevat worden, die afwijkt van de betekenissen die aan dit woord gegeven worden in andere Indiase denksystemen. Volgens de Purva Mimamsa is dharma die entiteit die gekarakteriseerd wordt door imperatieve beweringen. En imperatieve beweringen zijn noodzakelijkerwijs Vedische beweringen, omdat datgene wat bedoeld wordt door niet-Vedische beweringen nooit de status van dharma ten deel kan vallen. De idee hierachter is dat de menselijke geest nooit de totaliteit ziet en bovendien gekenmerkt wordt door voorkeuren en derhalve tot vergissingen veroordeeld is. De imperatieve beweringen uit de Veda’s zijn vrij van dit soort beperkingen en zijn gericht op het Goede. Iemand die deze bevelen in de voorgeschreven volgorde en volgens de voorgeschreven procedures opvolgt, bereikt noodzakelijkerwijs het Goede. Het geloof in de werkzaamheid van de voorgeschreven handelingen is een gevolg van het vaste geloof in de Veda’s. Dit geloof is zo sterk, dat de Purva Mimamsa stelt dat als het beoogde resultaat van een handeling niet in dit leven tot stand komt, dan moet dat in een volgend leven gebeuren. We zien dus dat het concept dharma verbonden is met de transmigratie van de ziel en met de wet van karma.

De term Vedanta betekent het einde van de Veda’s, ofwel de culminatie van het Vedische denken, ofwel het doel waarnaar alle Veda’s leiden: Brahman. De Vedantasutra van Badaranya wordt dan ook wel Brahmasutra genoemd, omdat het een uiteenzetting bevat van de beweringen met betrekking tot Brahman in de Upanishaden. Deze beweringen zijn echter niet systematisch. Badaranya tracht de schijnbare tegenstellingen tussen de beweringen in de Upanishaden te boven te komen en ze in een systeem onder te brengen.
Volgens Badaranya zijn de Veda’s eeuwig en de ultieme waarheid. Deze waarheid kan niet gekend worden middels redenering en logica. Volgens Badaranya zijn er twee bronnen van kennis, sruti en smrti, die ongeveer overeenkomen met waarneming en redenering. Redenering is gebaseerd op waarneming, maar waarneming is zelf-evident. De Upanishaden zijn voor Badaranya verslagen van directe waarneming of sruti.
Er zijn twee sferen van bestaan: het denkbare en het ondenkbare. De eerste sfeer is de sfeer van prakrti, waarin de elementen, verstand, intellect en ik-heid hun plaats hebben; de tweede sfeer is de sfeer van Brahman, waar enkel sruti de gids is. Redeneren wordt geleid door tekens, maar Brahman is vrij van alle attributen en dus ook van alle tekens door middel waarvan het door een redenering gekend zou kunnen worden. Brahman kan enkel gekend worden middels devotie en meditatie.
Volgens de Vedantasutra leidt een moreel hoogstaand leven tot kennis van Brahman. Dienstbaarheid aan God en verzaking van de wereld voeren tot de hoogste kennis. Kennis van Brahman heeft bevrijding tijdens dit leven tot gevolg (jivanmukti).

Gaudapada is een van de meest bekende filosofen uit de Advaita traditie voorafgaande aan Shankara. In de traditie van Advaita Vedanta staat hij bekend als de leraar van Shankara’s leraar Govindapada. Het schijnt dat Gaudapada in zijn leer tot een synthese tracht te komen van de leerstellingen van het Mahayana Boeddhisme en de Advaita filosofie gebaseerd op de Upanishaden. De basis van de filosofie van Gaudapada wordt gevormd door het onderscheid tussen waken, dromen en droomloze slaap. In de geest van de theorie van Vasubandhu ziet Gaudapada waken en dromen als gelijksoortig en komt hij tot de conclusie dat, evenals in dromen, de objecten die in waaktoestand gezien worden onwerkelijk zijn. In de geest van Nagarjuna tracht hij de werkelijke aard van een ding ofwel de identiteit (svabhava) te bepalen en komt vervolgens tot de conclusie dat er in de ervaringswereld niets is dat werkelijk svabhava heeft. Maar hij neemt afstand van Nagarjuna wanneer hij beweert dat een dergelijke identiteit alleen aan atman, de basis van alle ervaringen, toekomt. Na tot het onveranderlijke karakter van atman geconcludeerd te hebben, ontkent hij zelfs de mogelijkheid van causaliteit (ajati). Wording en vergaan zijn volgens hem enkel verschijningen. In werkelijkheid ontstaat er niets en vergaat er niets. Volgens Gaudapada is het echter verkeerd om de negatieve, blanke toestand van de droomloze slaap gelijk te stellen aan de altijd bewuste, objectloze, pure staat van kennis die het werkelijke atman is. Derhalve stelt hij dat er, naast waken, dromen en droomloze slaap, nog een vierde staat van puur bewustzijn is: turiya.

De relatie tussen de Purva en Uttara Mimamsa is een strijdpunt in de geschiedenis der Indiase filosofie. Sommigen zeggen dat de kennis van Brahman behalve de studie der Veda’s geen verdere voorbereiding behoeft. Anderen stellen dat, vanwege het het feit dat de Upanishaden het laatste gedeelte der Veda’s vormen, een voorbereiding van het soort dat de Purva Mimamsa voorschrijft een noodzakelijke voorwaarde is. De tweede benadering leidt tot een interpretatie waarbij kennis en handeling onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn (jnanakarmasamuccaya). De eerste benadering, waarbij de imperatieven der Veda’s niet als een noodzakelijke voorwaarde voor de kennis van Brahman worden beschouwd, heeft bijgedragen tot het ontstaan van een filosofie die louter op kennis en inzicht berust (jnanamarga).

Opmerking J.C. : In dit artikel wordt slechts ingegaan op de filosofie van Advaita Vedanta voorafgaande aan Shankara. In de Companion Encyclopedia of Asian philosophy zijn aparte artikelen gewijd aan Shankara, door Brian Carr, en aan de latere Vedanta, door Michael Comans. Samenvattingen van deze beide artikelen zijn ook in deze rubriek te lezen.

(J.C.)




Er is geen tweeheid

als je ontspannen bent
in zelf-bewustzijn
is dat duidelijk.


  • Meditatieboekje

    Korte teksten die je meenemen naar openheid

  • Satsang

    Dit boek is een bloemlezing van satsangs gehouden door Douwe Tiemersma. Bijeenkomsten waarin hij als advaitaleraar de kern van het advaita inzicht doorgeeft.

  • Stiltewandelingen naar eenheid

    Wandelen in stilte is terugkeren tot de rust die in de drukte van het leven vaak wordt gemist. Veel mensen zoeken die rust en vinden die in de natuur.

  • Non-dualiteit - de grondeloze openheid

    Non-dualiteit is niet-tweeheid (Sanskriet: a-dvaita), de afwezigheid van scheidingen. Deze openheid vormt de kern van elke spiritualiteit en mystiek. Maar wat is non-dualiteit nu precies? Daarover gaat het nieuwe boek van Douwe Tiemersma. In zijn vorige boeken stond de non-dualiteit ook al centraal, maar nu laat hij stap voor stap zien wat non-dualiteit in de eigen ervaring betekent. Iedereen blijkt die ervaring te kennen en te waarderen.

Boeken

Douwe schreef en redigeerde gedurende zijn leven boeken. Via onze uitgeverij zijn deze nog verkrijgbaar.

Bekijk het aanbod