Vele wegen, één bergtop?


In: OHM-Vani, 12 nr. 1 (januari/maart 2006), 25-29

Op welke wijze moet het leven geleefd worden? Wat is de juiste weg om verder te gaan? Antwoorden op deze vragen zijn in de vele verschillende levensbeschouwingen, religies en spirituele wegen te vinden. Meer dan in het christendom en de islam, die op grond van hun heilige geschriften een exclusieve heilsopvatting hebben, is in het hindoeïsme de stelling te vinden dat de vele wegen naar eenzelfde doel leiden. Welke kant van de berg je ook naar boven gaat, iedereen zal de top bereiken. Welke rivier je ook volgt, elke rivier stroomt uit in de grote oceaan. Ramakrishna, de Indiase heilige uit de 19e eeuw zei: 'Ik heb alle godsdiensten - hindoeïsme, islam, christendom - in de praktijk gebracht - en ik heb ook alle paden gevolgd van de hindoe-sekten. Ik heb ontdekt dat het dezelfde God is naar wie allen op weg zijn, hoewel langs verschillende paden. ... De werkelijkheid is één met verschillende namen en iedereen zoekt dezelfde werkelijkheid.'(noot 1)

Er zijn van oudsher veel wegen in het hindoeïsme. Er is het ascetisme waarin vrijheid wordt gezocht door zich te onthouden van alle zaken die men als bindend ervaart. Er is de weg van de religieuze werken (karma), het uitvoeren van de voorgeschreven rituelen. In de Bhagavadgîtâ wordt deze weg getransformeerd tot karma-yoga, het handelen waarbij de resultaten van het handelen aan God worden opgedragen. Dat behoort tot de weg van de religieuze devotie, de liefdevolle toewijding aan God (bhakti). Verder is er de weg van het inzicht, waarin ook de rationaliteit een duidelijke plaats heeft, de weg van de bevrijdende kennis (jñâna) van de identiteit van het hoogste zelf-zijn (Âtman) met de wereldgrond (Brahman), het 'Dat ben Jij' in de Chândogya Upanishad.

De grote variatie in soorten wegen binnen het hindoeïsme is blijkbaar geen belemmering voor de visie dat zij in hun doel overeenkomen. Maar, hoe kan men zeggen dat al deze wegen tot hetzelfde doel leiden? Dat is alleen mogelijk omdat er een notie is van een 'doel' dat alle wegen en vormen overschrijdt. Dit betekent dat dit 'doel' niet kan worden omschreven, hoewel er een besef of zijnservaring van is. Er kunnen nog positieve aanduidingen zijn van het hoogste zoals 'God' of 'Bewustzijn', maar principieel gaat het hoogste voorbij elke vorm en naam. Dat is op allerlei plaatsen in de klassieke teksten gezegd. Bijvoorbeeld, in het eerste hoofdstuk van de Kena Upanishad staat:

4. Dat is anders dan het gekende
en ook verheven boven het niet-gekende.
Zo hebben wij vernomen van de oude leraren
die ons over Dat onderrichtten.

5. Dat wat niet in het spreken wordt uitgedrukt,
maar dat waardoor het spreken tot uitdrukking komt,
weet dat Dat Brahman is,
en niet dit wat men als god aanbidt.(noot 2)

Ten opzichte van dat Absolute zijn alle vormen en alle wegen betrekkelijk. Alles wat meehelpt in de richting te komen van Dat, is als middel nuttig. 

Een gevolg van deze visie is dat het hindoeïsme altijd erg syncretistisch en verdraagzaam is geweest. Het was syncretistisch omdat vanaf de Vedische tijd voortdurend elementen van buiten werden opgenomen. India is een smeltkroes van volkeren die gezamenlijk het hindoeïsme hebben vormgegeven. Het hindoeïsme was mede daarom altijd erg verdraagzaam ten opzichte van andere religies en spirituele tradities. Hindoes leefden zonder problemen samen met boeddhisten, moslims, christenen met wie ze elementen van levensbeschouwing en filosofie uitwisselden. Een belangrijke, zo niet de belangrijkste factor die dit mogelijk maakte was de notie van het allesoverstijgende Âtman-Brahman, het absolute aspect van God waarmee het hoogste zelf-zijn één is.

In onze tijd zien we in India meer onverdraagzaamheid opkomen. Dat is ten dele te begrijpen vanuit de onverdraagzaamheid van andere groeperingen en sociaal-politieke factoren, maar het heeft ontegenzeggelijk ook te maken met het vergeten van het allesoverstijgende, transcendente 'doel' of centrum van het hindoeïsme. Als dit 'doel' niet als notie aanwezig is, staan de veelheid en de verschillen voorop. Als er wel een doel van de heilsweg expliciet wordt omschreven, wordt dit doel in de wereld van de condities getrokken en daarmee worden direct andere doelen uitgesloten. Dan kunnen er harde twistgesprekken en zelfs fysieke confrontaties zijn. Alle grote Indiase leraren hebben echter het transcendente doel benadrukt en zo de verdraagzaamheid. Een hindoe-renaissance zal dus het transcendente centraal moeten stellen en niet de natie en de cultuur.

Als de waarde van de verschillende wegen afhangt van de hulp die zij bieden om dichter bij de realisatie van het Absolute te komen, is er geen enkelvoudige weg voor alle mensen in alle fasen van leeftijd en ontwikkeling. Wat nuttig is, hangt steeds van de situatie af. Alle grote leraren waren zich ervan bewust dat er voor verschillende mensen en mensen in verschillende fasen van leven en ontwikkeling een eigen stuk onderricht voor de hand ligt. Traditioneel worden in het hindoeïsme de vier levensfasen (âshrama's) onderscheiden, die van de leerling, de huisvader, de teruggetrokken oudere en de bezitsloze sannyâsin. Wat voor de hand ligt om te doen, ook op het spirituele vlak, is in elke levensfase verschillend. Dat verschil geldt ook voor mensen uit verschillende bevolkings- en beroepsgroepen. Bij de grote leraren zoals Ramana Maharshi kreeg elke vragensteller een antwoord dat bij hem of haar paste.(noot 3) Mensen verschillen en het kan niet anders dat ieder een eigen unieke spirituele weg heeft.

Wat blijft staan is dat de betrekkelijkheid van de wegen alleen wordt gezien vanuit het besef of de realisatie van het Ene. Vroeg of laat komt een ieder in de situatie waarin een totale overgave wordt gevraagd. Tot op zekere hoogte kan er worden gesproken over spirituele wegen, deze wegen leiden alle, als het goed is, naar die grens. Naar het Hoogste zelf dat over de grens ligt is geen weg. Over de grens heen gaan betekent alles opgeven. Deze radicaliteit van overgave is de essentie van alle echte spirituele wegen. Daarin is het dat ze overeenkomen en daarin zijn ze aan elkaar gelijk.

Velen vinden de ruimte waarin alles moet worden losgelaten wat tot de eigen wereld behoorde erg beangstigend. Zelfs Arjûna beefde en stamelde van schrik, toen hij het visioen kreeg van de kosmische vorm van Krishna, de Tijd die alles verwoest, Vishnu die om overgave vraagt.(noot 4) Overal in de Bhagavadgîtâ echter staat dat God de mensen die tot hem komen zal opvangen. Op de weg van de realisatie van het Zelf blijft men altijd al zich-zelf, ook in de kosmische en goddelijke sfeer om dan te herkennen dat Zelf-zijn altijd al met het Hoogste samenvalt. Dat is niet beangstigend, maar als bevrijding onuitsprekelijk prachtig.

Noten
1. Ramakrishna, Gesprekken opgetekend door M., Mirananda 1987, p. 79-80
2. Douwe Tiemersma (red.), De elf grote Upanishaden - tekst en toelichting, Uitg. Advaitacentrum, Leusden 2004.
3. Bijvoorbeeld, Sri Ramana Maharshi, Gesprekken, Ankh-Hermes, Deventer 2002 
4. Bhagavadgîtâ, hoofdstuk 11


Er is geen tweeheid

als je ontspannen bent
in zelf-bewustzijn
is dat duidelijk.


  • Management en non-dualiteit

    In bedrijven en organisaties is meer aandacht gekomen voor de oriëntatie op samenhang, eenheid, heelheid, ongescheidenheid, kortom: non-dualiteit. Wat betekent deze ‘niet-tweeheid’ en op welke wijze kan zij in het eigen werk en in de organisatie doorwerken? Deze vragen staan in dit boek centraal.

  • Meditatieboekje

    Korte teksten die je meenemen naar openheid

  • De elf grote Upanishaden


    De Upanishaden vormen de grondslag van een groot gedeelte van de Indiase filosofie. Ze worden ‘Vedânta’ genoemd, dat is het einde en de culminatie van de Veda’s. De wijsheid die in de teksten naar voren komt is nog steeds een onschatbare bron, zowel in India als daarbuiten. Centraal staat daarin de visie en zijnservaring dat de kern van zelf-zijn identiek is aan de grondslag van wereld en universum.
    In dit boek is een groot gedeelte van de belangrijkste Upanishaden (8e-6e eeuw v.Chr.) opgenomen.

  • Advaita Vedanta - de vraag naar het zelf-zijn

    De actuele vraag ‘wie we eigenlijk zijn’ was het onderwerp van een symposium aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op 18 september 2000, waarin vooral de oude Upanishaden en de Advaita Vedânta aan het woord kwamen.

Boeken

Douwe schreef en redigeerde gedurende zijn leven boeken. Via onze uitgeverij zijn deze nog verkrijgbaar.

Bekijk het aanbod