Spiritualiteit


Uit een inleiding en gesprek te Gouda, 3 september 1997

In: Zien. Teksten over Nondualiteit nr. 9 (1997 4e kwartaal), p. 10-18

Ook vanavond bij het spreken over spiritualiteit gaat het om een onderzoek naar onze eigen situatie. Daar gaat het hier altijd om, welk onderwerp hier ook centraal staat. Wat stel je je voor bij ‘spiritualiteit’? Meestal is dit iets ‘hogers’, iets geestelijks. Het wordt in ieder geval afgegrensd ten opzichte van materialiteit. Het goed om hierbij eerst stil te staan. Wat betekent ‘materialiteit’, de ‘materiële sfeer’? In het alledaagse leven is er meestal een aandacht die gericht is op de materiële dingen in de wereld. Deze dingen zijn hard, ze hebben een gewicht, ze zijn in de ruimte, ze zijn in de tijd, je kunt ze manipuleren en ze zijn onderworpen aan wetten van oorzaak en gevolg. De natuurwetenschappen en de techniek zijn hierop gebouwd. In iets ruimere zin vatten we ook ons lichaam hierbij, ons lichaam is ook materieel. Verder willen we ook materieel genieten, dus van materiële dingen genieten, consumeren.

Dan de spiritualiteit. Het is een hele overgang van materialiteit naar spiritualiteit en het is belangrijk deze overgang heel goed te zien. Hoe dit in zijn werk gaat moet je bij jezelf nagaan. Ik zei al, meestal heb je aandacht voor de materiële werkelijkheid, je zit tegen de dingen aan te kijken die hard en ondoorzichtig zijn. Daarmee werk je, je eet en wast de spullen af, enzovoort; het zijn allemaal materiële zaken. Steeds heb je aandacht voor iets in de buitenwereld dat hard is, dat materieel is. Wanneer je nu het punt van aandacht in de wereld een beetje dichter bij jezelf brengt, wat gebeurt er dan? Je zit soep te lepelen, je ziet de soep met van alles dat erin drijft, je zegt “het ziet er goed uit”, en dan breng je je lepel naar jezelf toe, je hapt, en dan? De materiële soep verandert van aard. Je hebt de soep in de mond, maar hoe ziet die soep er dan uit? Het punt van aandacht is niet meer gericht op de buitenwereld, waardoor je tegen de soep aan zou kijken en de soep materie zou zijn, maar dit punt komt ineens dichtbij en in je mond, en dan heeft die soep ineens een heel andere betekenis. De soep heeft nu smaak, zodat je kunt zeggen “die soep smaakt uitstekend”, en je voelt de soep als iets vloeibaars in je mond. Wat is dat voor wereld, is dat nog steeds de materiële wereld? Nee, het is de wereld van zintuiglijke indrukken. Dit is een totaal andere wereld, als je op de wereld van indrukken als zodanig bent gericht. Dat geldt in het algemeen: als je aandacht voor de buitenwereld hebt en je trekt die aandacht naar jezelf toe, dan krijg je een totaal andere wereld, een wereld die meer spiritueel is, meer geestelijk van aard. De harde materialiteit verdwijnt. Wanneer je hathayoga en meditatie beoefent krijg je steeds hetzelfde proces: je aandacht wordt van buiten naar binnen getrokken en daarbij krijg je een heel nieuw type van werkelijkheid. Dat gebeurt dus ook regelmatig gedurende de dag. Voortdurend heb je dit terugtrekken van de aandacht. Je moet dit eens heel concreet uitvoeren. Je kijkt naar je vingertoppen die je bij elkaar houdt en brengt ze langzaam naar het punt tussen je ogen. Wat er plaatsvindt is een totale verandering. Steeds zie je eerst iets materieels, omdat je afstand neemt en tegen de dingen aankijkt. Je verkleint de afstand steeds meer en ineens zit je in een wereld van lichamelijke indrukken, van lichamelijke energieën. Met deze energieën werk je in de hathayoga, vooral bij ademoefeningen en pranayama. Wanneer je de aandacht naar binnen haalt krijgt het lichaam veel meer iets gevoelsmatigs; het wordt veel meer een wereld van gevoelsmatige indrukken; het wordt energetisch-dynamisch van aard. Het verschil is erg groot en dat zie je aan mensen. Sommigen leven in de buitenwereld en voor hen is er alleen een materiële werkelijkheid. Anderen leven meer in de sfeer van het energetische lichaam, het lichaam van de gevoelsmatige indrukken. Dit lichaam heeft nog een zeker aspect van materialiteit, want het heeft nog een zekere hardheid. Je kunt er iets mee doen, het is in de ruimte, het kent een zekere causaliteit, wetmatigheid. Deze leer je in de yoga kennen en er gebruik van te maken met behulp van houdingen en ademoefeningen. “Wanneer je dit doet, dan gebeurt er dat,” ook op het niveau van het subtiele lichaam. Maar het is duidelijk dat dit lichaam een sterker geestelijk aspect heeft. Het is niet meer zo hard-materieel en het is iets meer psychisch van aard omdat het gaat om mentale indrukken.

Vaak komen beelden op bij de ervaring van de lichamelijke indrukken en gevoelens en dan ga je over van het gevoelsmatig-energetische vlak naar het psychische niveau. Daar zijn de dingen nog minder materieel en meer spiritueel, geestelijk van aard. Wanneer je droomt, wanneer je zit te bedenken wat er allemaal is gebeurt in de mooie zomervakantie, dan zit je in die situatie, je ervaart daarin van alles. Maar dit gebeurt op een mentaal vlak, het is een psychische werkelijkheid. Het lichaam is daar dan ook een mentaal lichaam, in de droom, in de voorstelling, in de dagdroom en wanneer je intern over jezelf gaat nadenken in een bepaalde situatie. Het lichaam is hier nog fijner van aard, minder materieel, minder zwaar, minder hard, meer doorzichtig dan het gevoelsmatig-energetische lichaam. Dit betekent dat je in dit lichaam meer vrij bent, want je kunt gemakkelijk dit lichaam anders denken. De harde causaliteit van de materie vind je hier niet. Er zijn wel krachten, fijn-energetische krachten, ook op het niveau van het mentale lichaam, bijvoorbeeld in het droomlichaam. Meestal kun je in je droom niet zomaar iets anders denken waardoor de hele situatie anders wordt. Ook daar werken krachten. Verder zijn er dwangdenkbeelden. Ook al is de dwang niet sterk, je hebt toch bepaalde vormen waarin je jezelf denkt. Hoe komen die vormen daar? Je stelt jezelf voor als iemand die daar loopt met die en die vormen, met die en die eigenschappen. Je projecteert jezelf in de toekomst: nu wil dit doen en nu ga ik dat doen. Zelf heb je steeds bepaalde eigenschappen. Nogmaals, waarom komen daar steeds die bepaalde eigenschappen? Je zegt, “Ik ben dat gewoon zo te denken.” Maar dat is het nu juist: door gewoonte vorm je steeds weer beelden, ook van jezelf, in een bepaalde vorm. Bij deze vormen werken krachten vanuit het verleden; ze werken door ook op mentaal vlak. Hier is de vrijheid groter dan bij de hardere materialiteit, maar je moet gaan zien dat daar ook krachten vanuit jezelf en je omgeving werkzaam zijn.

Het proces van spiritualisering kan verder gaan. Het kan een meer gezuiverd denken en inzicht worden. In de westerse filosofie is dat meestal het eindpunt geweest van wat men zich kon voorstellen. Descartes vond het hoogste punt, waar we zuivere kennis kunnen krijgen, in het ik-denk. Ik denk, en als denkend-ik ben ik niet meer gebonden aan alles wat ik kan waarnemen, want ik neem het waar en daarvan ben ik vrij. In mijn denken kan ik herkennen wat waar is. Het is in mijn rede dat ik de dingen zuiver kan zien. Maar zelf het zuivere denken staat niet los van beïnvloeding vanuit andere niveaus en heeft nog bepaalde vormen. Er is nog een ik met een lichaam van het zuivere-denken en dat heeft nog eigenschappen die te maken hebben met het lichamelijke bestaan in de wereld.

De spiritualisering kan dus nog verder doorgaan. Dat vind je bijvoorbeeld in de religieuze mystiek. Daar is een overgang, waarbij jezelf als gespiritualiseerd wezen in een andere dimensie komt die we een goddelijke dimensie noemen. We zeggen dat deze spiritueel is. De vergeestelijking is verder doorgegaan, waarbij het materiële aspect steeds minder duidelijk werd en een zuiverder sfeer steeds sterker werd. “Zuiverder” wil zeggen dat de sfeer minder wordt vermengd met elementen die je in de buitenwereld kunt waarnemen, met materialiteit. Het blijft belangrijk om deze weg duidelijk te zien. Het is een mogelijkheid voor het afleggen van een weg, het is een menselijke mogelijkheid. Het is de beweging vanuit de materiéle werkelijkheid en vanuit jezelf als materieel wezen naar de diepte of hoogte van de spirituele niveaus. Daarin vindt een zuivering plaats van de materiële aspecten. Deze zuivering kan steeds verder gaan en in de mystiek gaat deze erg ver. Hierdoor is het begrijpelijk dat mystici gaan spreken van een totale vrijheid in God, als een grote sfeer waarin je bent opgenomen en waarin er geen beperkingen meer zijn die te maken hebben met materialiteit. In de non-dualistische Vedanta gaat het proces verder door. Het zelf krijgt steeds minder eigenschappen die te maken hebben met materialiteit. Wat blijft er dan over van dit zelf? De beweging van spiritualisering gaat door en daarmee verdwijnen alle elementen die je nog kunt aanwijzen, alle eigenschappen die je kunt benoemen. Wat blijft er over? Wat er over blijft kun je geen geest meer noemen. Het is wel een weg van spiritualisering, een weg naar een groter bewustzijn, een sterker op de voorgrond treden van het bewust-zelfzijn, totdat alles is uitgezuiverd, alles is gezuiverd van structuren, vormen, eigenschappen. Dit een lijn van beweging die in alle spirituele tradities kan worden gevonden. Natuurlijk gaat het op allerlei verschillende wijzen, maar de spiritualisering is kenmerkend voor heel veel tradities. Hierin gaat het om de overgang naar een hogere vorm van spiritualiteit. Het hangt van de stroming af waar het eindpunt gezien wordt. De beweging gaat het verst door, waar alles verdwijnt.

Maar goed, je doet weer je ogen open, de meditatie is voorbij, en je hebt de wereld weer. Een belangrijke problematiek is natuurlijk de relatie tussen die twee toestanden. De mystici zijn zo gericht op God, dat ze helemaal in Hem/Haar opgaan. Maar ze komen weer terug in het dagelijkse bewustzijn en vaak ervaren ze de wereld dan harder dan ooit. Daarom zijn de teksten van mystici vaak zo pessimistisch. Ze voelen zich ellendig, omdat ze iets van de goddelijke sfeer hebben ervaren en toch weer op aarde worden gegooid. De Indiase yogi kan onder moeilijke omstandigheden heel lang in een meditatieve toestand blijven, steeds verder en verder in de spiritualisering tot in het absolute, maar op een gegeven ogenblik komt hij terug en moet hij eten. Hij eet wat en gaat dan des te vastberadener door met zijn praktijk. De theravada boeddhisten wijden hun hele leven aan meditatie, gericht op het totale uitblussen van elk greintje begeerte, op het uitwissen van elke structuur die te maken heeft met materialiteit en spiritualiteit, om zo het boeddhaschap te verkrijgen, het nirvana binnen te gaan. Hun grootste blokkade is – en de latere boeddhisten hebben dat als punt van kritiek – dat ze zo op zichzelf zijn gericht dat ze er niet van loskomen. Hoe moet je dan de relatie zien tussen de vergaande spiritualiteit en de alledaagse wereld? Dit probleem speelt per definitie in alle spirituele tradities een grote rol. Wat moet je ermee? Je krijgt dan andere formuleringen van de weg die mensen zouden moeten gaan. De spiritualisering blijft belangrijk. In ieder geval moet je de verschillende niveaus van spiritualiteit leren kennen. De verschillende typen van werkelijkheid, van grof materiële naar steeds fijner materiële en spirituele vormen, moet je leren kennen omdat het menselijke mogelijkheden zijn en in feite lagen van je eigen bestaan. Aan de andere zie je nu het gevaar als je meegaat in die spiritualisering. Zolang er een materieel lichaam is, is er een materiële wereld en zijn er lichamelijke en geestelijke processen. Uiteindelijk, of beter fundamenteel, is er de nondualiteit. Wat wil dit woord zeggen? Het wil niet zeggen dat er uiteindelijk een bewustzijnswerkelijkheid is, een geestelijke werkelijkheid, wat in veel leringen wordt gesteld, want spiritualiteit staat tegenover materialiteit, het geestelijke staat tegenover het materiële. Met deze tegenstelling houd je een dualiteit in stand. Wanneer je de verschillende niveaus van materialiteit en spiritualiteit herkent en wanneer dit alles loskomt, kan er een harmonie optreden, een integratie van beide polen ontstaan. Dat is van wezenlijk belang, omdat je anders een spanning tussen materie en geest houdt. Het is prachtig als je iets van de spirituele wereld ervaart. Je vindt het schitterend en zou er altijd in willen blijven. Je bent daarin nergens aan gebonden, je bent vrij, juist omdat de beperkingen van het materiële lichaam en wereld niet gelden. Je bent vrij van ruimte en tijd, vrij van geboorte en dood. Maar dit is een geestelijke ervaring en een geestelijk bestaan. Dit heeft altijd nog de tegenpool van het materiële bestaan. Het geestelijke bestaan heeft nog vormen zolang het nog een bestaan is. Wanneer het gaat om nondualiteit zal alles een integratie moeten krijgen. Alle verschillende lagen gaan dan over elkaar heen, doordringen elkaar en spreken elkaar niet meer tegen. Dit wordt in verschillende tradities in verschillende formuleringen gezegd, ook in de godsdienstige tradities. God staat in zekere zin ver boven de wereld, God is transcendent, maar hij is ook immanent. Hij is ook in de wereld aanwezig. Zo heb je ook hier de twee kanten. “Wij staan wel in de wereld, maar zijn niet van de wereld” is ook zo’n formulering waarin de tweeheid wordt samengenomen. Het gaat nogmaals om de integratie. In het latere boeddhisme wil men enerzijds loskomen van de eindeloze kringloop van wedergeboorte (samsâra) door een spirituele weg te gaan, anderzijds is het besef dat het nirvana niet los van samsara staat. Dan zegt men dat het nirvana, het boeddhaschap, niet verschillend is van samsara. De materiële werkelijkheid is nirvana. Het gaat dus om de eenheid van de grote tegenstelling.

Wat kun je dus over de werkelijkheid zeggen? Wat is nu de werkelijkheid? De materiële wereld (materialisme), de geestelijke wereld (spiritualisme)? Je kunt er niets over zeggen. Ik zou niet weten wat ik er over zou kunnen zeggen. Er is iets, maar is het echt iets? Is het materieel, is het geestelijk van aard?

Vraagsteller: Is het uiteindelijk niet zo dat in je ervaring die spirituele wereld niet anders is dan een projectie van een verlangen of iets dergelijks?
DT: Natuurlijk speelt de projectie mee. De plaats waar je staat, met je verlangens is gekoppeld aan de wereld die je waarneemt. Dat is voortdurend het geval: er is een relatie tussen je eigen situatie en de wereld die daaraan beantwoordt. Maar je kunt niet zeggen dat je geestelijke situatie de wereld schept. Zo wordt het vaak geformuleerd.
Vr.: Stel dat je jezelf niet meer belangrijk vindt en je niet meer zou projecteren, wat blijft er dan nog over?
DT: Dat zie je wel. Daar gaat het om: je ziet het wel. Want is er hier iets over te zeggen? Nee.
Vr.: Ik denk dat ik er vreselijk aan zal twijfelen of het wel echt bestaat.
DT: Dan stel je nog: ik moet de echte werkelijkheid bereiken. Als er geen verlangen is, is er geen verlangen om een echte wereld te bereiken. Als je iets echts denkt gevonden te hebben, merk je dat dit echte ook weer met een eigen schepping te maken heeft. Je plaatst dit weer ver weg en gaat dit opnieuw proberen te bereiken. Wanneer je zegt, er is geen verlangen meer: welke eigenschappen heeft de werkelijkheid dan nog? Er is steeds een relatie tussen het ik en de wereld. Wanner er aan de ik-kant geen structuren meer zijn, zijn er in de wereld ook geen structuren. Natuurlijk zolang er ogen zijn, is er een wereld die beantwoordt aan de structuur van de ogen. Maar als je gaat vragen: van welke aard is de wereld nu? Dan hangt het antwoord af van de wijze waarop je de wereld benadert. Wanneer je soepeter bent, is er de soep als werkelijkheid. Als je de wijsheid zoekt, is er voor jou ergens een wijsheid. Gedeeltelijk is de wereld een schepping van je eigen oriëntatie, van je eigen geestelijke instelling. In die zin is de wereld een creatie, een constructie. Toch is er iets dat vanuit de wereld op jou afkomt. Je ervaart de wereld als iets dat je niet volledig in handen hebt. De wereld is tot op zekere hoogte onafhankelijk van jou. De afhankelijkheid en onafhankelijkheid, constructie en werkelijkheid gaan samen. Daarom kun je niet zeggen hoe het allemaal in elkaar zit. 
Zelfs wanneer je je instelling verandert om een andere wereld te krijgen, blijf je gebonden aan een bepaalde persoon die iets wil. Deze persoon heeft grenzen en daarom heeft de wereld die hij kan scheppen haar grenzen. De stroming die het spirituele wil gebruiken voor materieel gewin wordt de laatste jaren erg sterk. Er zijn allerlei cursussen die mensen leren aan voorspoed en geld te denken, zodat het geld binnenstroomt. Gedeeltelijk is het zo. Maar de persoon die zich daar op richt is zo beperkt, dat de wereld die daaraan beantwoordt ook erg beperkt is. De gevolgen daarvan zal hij ondervinden, al was het alleen maar dat hij in die wereld verstrikt blijft. Spiritualisering is belangrijk om ook andere sferen te leren kennen. Daar mag je je op richten, als je maar niet op een bepaald niveau blijft zitten. Dat zie je overal gebeuren. De symboliek, de theorie, de verhalen in verschillende stromingen en scholen zijn schitterend en ze werken. Ze zijn nuttig en belangrijk, maar slechts totdat de grenzen bereikt worden. Als het gaat om een radicale spiritualisering is het belangrijk de grenzen steeds in de gaten te houden en niet bij een bepaalde grens te blijven staan. Zolang er een grens is, is er beperking. De spiritualisering is vooral belangrijk om elke fixatie op een niveau – als eerste dat van de materie – te doorbreken. Daarom kan het nuttig zijn hathayoga te beoefenen, want dan leer je een ander type lichaam kennen. Je vaste patroon van het lichaam denken als iets materieels, waarop je gefixeerd bent, wordt dan doorbroken. Het energetisch-gevoelsmatige lichaam is veel ruimer, minder zwaar en minder beperkt dan het materiële lichaam. Op mentaal vlak is het lichaam nog lichter en doorzichtiger. Op hogere spirituele niveaus gaat dit proces verder en steeds wordt het oude doorbroken. Al de niveaus zijn werkelijkheden op die niveaus en alle horen bij je bestaan, zijn mogelijkheden van je bestaan.

In eerste instantie beginnen veel mensen met zoeken in de spirituele richting omdat ze onbevredigd zijn. Je krijgt daardoor een duidelijke scheiding tussen het materiële en het spirituele. Je zet je af tegen het materiéle om verder te gaan op een spirituele weg. Als je verder gaat op deze weg, verdwijnt de materiële wereld in haar belangrijkheid. Ze wordt steeds meer opgenomen in de spirituele sfeer. Dan is wel de verleiding groot om ergens te blijven hangen zodat je ook de hardheid van de wereld moet ervaren: Socrates, de filosoof op zijn denkniveau, die toch met zijn hardhandige vrouw Xantippe te maken had en weer de materiële wereld in werd geslagen, de mysticus in vervoering die even later de zwarte nacht van verlatenheid ervaart. Als je alle verschillende niveaus kent zonder deze uit elkaar te trekken, zonder het ene tegen het andere uit te spelen, zonder je af te zetten, kun je ook in de gewone alledaagse werkelijkheid, met alle materialiteit van dien, accepteren. Vanuit de vrijere niveaus van spiritualiteit heb je de mogelijkheid om steeds meer te accepteren, heb je ook een steeds grotere gevoeligheid voor de hele wereld, voor planten, dieren, mensen, een steeds grotere openheid, omdat je beseft dat je niet bent opgesloten in een bepaalde vorm. Allerlei spanningen die per definitie hebben te maken met beperkingen, zijn verdwenen. Daarom sta je meer open en ben je meer gevoelig. De boeddhistische compassie komt hier uit voort. Dit is geen sentimenteel medelijden, maar letterlijk een meevoelen en daardoor een mededogen. De wereld en je materiële lichaam bestaan in zekere zin, maar je wordt er niet meer in opgenomen met alle beperkingen. De geestelijke vrijheid en de beperkingen komen samen, waarbij er een grote openheid ontstaat met mededogen. Dus in die zin kan er een gewoon leven zijn, hoewel er het grote verschil met vroeger is dat de beperkingen doorbroken zijn, dat alle niveaus van materieel en spiritueel leven tegelijkertijd aanwezig zijn en dat ze betrekkelijk zijn.
Vr.: Is deze toestand er niet altijd al?
DT: Ja, alleen moet dit worden beseft. Dan is het zo duidelijk werkelijkheid, dat de overgang een realisatie (verwerkelijking en besef) genoemd kan worden. Het is er altijd, maar wordt meestal niet gezien. Het kan worden gezien en daarvoor kan het leren kennen van je verschillende mogelijkheden van spiritualiteit nuttig zijn. Als je alles dan ook nog accepteert zoals het zich voordoet, inclusief jezelf, is er de Kennis, de Kennis van wat er altijd al is.
Vr.: Bestaat spiritualisering dan wel?
DT: Deze bestaat er alleen tijdens een weg die een beperkt iemand afloopt.
Vr.: Het is dus een droom?
DT: Je kunt het alleen als droom betitelen, wanneer je wakker bent. We hebben het erover gehad: het ik en de wereld zijn steeds aan elkaar gekoppeld. Zolang er een beperking bij het kennen is, is er een beperktheid van de wereld.
Vr.: Het is wel moeilijk om alle lagen te leren kennen.
DT: Is het moeilijk iets vast te stellen dat je kent? Is het moeilijk om te zeggen: ik weet wat de droomwereld is, wat de denkwereld is; ik weet wat het betekent eens helemaal leeg te zijn, me ruim te voelen, mezelf te voelen. Het is niet meer dan dat. Is dat moeilijk? Als ik je vraag: herken je dit en herken je dat, dan blijk je een geweldig grote kennis te hebben. Je hebt weet van allerlei aspecten van je eigen bestaan. Wanneer je iets preciezer gaat kijken, zie je: dit zit zo en dat zit zo; als ik me iets anders ga opstellen krijg ik dat, enzovoort. Alles is er dan ook nog tegelijkertijd. Je mag alles accepteren. Dan manifesteert zich de natuurlijke toestand.


Lezers schrijven

Verschillende lezers vroegen Douwe Tiemersma iets meer te zeggen over spiritualiteit (Zien nr.9)

Over het begrip spiritualiteit bestaat veel verwarring, omdat er vele verschillende opvattingen zijn en duidelijke definities ontbreken. Daarom leg ik eerst nog eens uit wat spiritualiteit in mijn inleiding inhoudt, waarna ik iets zal zeggen over andere opvattingen van spiritualiteit.
In de inleiding ben ik uitgegaan van spiritualiteit als de aard van de werkelijkheid voorzover deze geestelijk is. Daarin staat spiritualiteit tegenover materialiteit, de materiële kwaliteit van de ervaren werkelijkheid. De visie dat alles geestelijk van aard is noemt men spiritualisme en dit staat tegenover materialisme, de visie dat alles materieel van aard is. De lijn die ik volgde begon bij de materialiteit die in de werkelijkheidservaring meestal op de voorgrond staat. De overgang naar meer spirituele werelden is belangrijk, om het materialisme te doorbreken. Verder is het nuttig om deze spirituele sferen beter te leren kennen, omdat zij altijd al aspecten van de eigen werkelijkheid zijn. Deze lijn in het verhaal wil niet zeggen dat de weg van spiritualisering gevolgd zou moeten worden als een bevrijdingsweg. Wel heb ik deze weg aangegeven, omdat deze nuttig kan zijn. Daarbij gaat het om een uitbreiding van het eigen bewustzijn en niet om het materiële te ontvluchten. Ook al is het soms goed om je eens terug te trekken op spirituele niveaus, ook dan zul je het materiële en spirituele moeten integreren. De laatste paar bladzijden van de tekst gaan daarover. Zolang er scheidingen zijn zijn er beperkingen en conflicten, ook in het kennen van materiële en spirituele werelden. Bij een geheel open kennen verschijnt er een werkelijkheid die niet is in te delen in vakjes. Dat is de non-dualiteit.
Als men spreekt over een spiritueel leven, kan dat betekenen dat iemand erg vroom is in religieuze zin. Hij of zij kan leven met de heilige geestelijke werkelijkheid van God, Jezus en Maria, of van Vishnu, Ganesha, Krishna, enzovoort. Er kan echter ook een spiritualiteit zijn zonder beelden en mythen. Religieuze spiritualiteit staat tegenover niet-religieuze spiritualiteit.
Beide vormen van spiritualiteit kunnen meer exclusief zijn, in de zin dat zij losstaan van de alledaagse materiële werkelijkheid, of meer inclusief, in de zin dat de spirituele dimensie niet van het materiële wordt losgemaakt. In dit laatste geval blijft er de alledaagse werkelijkheid, maar deze heeft een dieptedimensie die spiritueel is. In de twintigste eeuw, en vooral na de Tweede Wereldoorlog, is de voorkeur voor deze laatste vorm sterker geworden. In het traditionele India is de eerste vorm opvallend aanwezig, in China en Japan veel meer de tweede.
Een andere tegenstelling is die waarin spiritualiteit staat tegenover een gesloten dogmatiek, de letter van de wet of sociale norm. Iemand is dan spiritueel als hij of zij een doorleefde diepgang en soepelheid heeft, meer leeft in een wereld van betekenissen dan in de wereld van vaste regels en vormen. Het leven is dan meer dan de wet, de geest met zijn diepgang meer dan de letter met zijn oppervlakkigheid. Bijvoorbeeld, barmhartigheid is dan meer dan het opvolgen van een gebod, en meer dan plichtsbetrachting.
Bij alle vormen van spiritualiteit gaat het om een dimensie die de grenzen van een gesloten wereld overschrijdt. Deze betekenis zit ook in het Latijnse ‘spiritus’, dat niet alleen geest, maar onder andere ook adem, wind, geur, leven en bezieling kan betekenen. Een spiritueel leven is een leven dat de grenzen van zichzelf steeds overschrijdt. Stilstand valt buiten spiritualiteit. Steeds meer en steeds subtielere grenzen kunnen wegvallen. In de inleiding werd de weg zover gewezen, dat alle bovenstaande tegenstellingen verdwijnen en ook spiritualiteit wegvalt.


Er is geen tweeheid

als je ontspannen bent
in zelf-bewustzijn
is dat duidelijk.


  • De ander en ik

    Dit boek bevat de lezingen en enkele andere teksten van het 2e Advaita Symposium over de relatie van 'de ander en ik'. De vragen kwamen aan de orde: Wat is de aard van de ander; in hoeverre of in welke zin verschilt de ander van mij en in hoeverre vormen wij een eenheid? De bespreking van deze vragen kon een verheldering geven van problematieken als ‘de aard van het zelf’, ‘de mogelijkheid van communicatie’ (in hoeverre kunnen wij elkaar begrijpen?), ‘de grondslagen van ons morele gedrag’ en ‘de ander als leraar’.

  • Pranayama

    Dit boek is een praktische handleiding bij het beoefenen van pranayama. Alle onderdelen van de traditionele pranayama komen hierbij aan bod.

  • Advaita Vedanta - de vraag naar het zelf-zijn

    De actuele vraag ‘wie we eigenlijk zijn’ was het onderwerp van een symposium aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op 18 september 2000, waarin vooral de oude Upanishaden en de Advaita Vedânta aan het woord kwamen.

  • De bron van het zijn

    ‘Wat was mijn toestand, voordat er ervaring was? Wie was er om op deze vraag te antwoorden? … dat Ik dat geen vorm heeft en zichzelf niet kent als ik ben.’

Boeken

Douwe schreef en redigeerde gedurende zijn leven boeken. Via onze uitgeverij zijn deze nog verkrijgbaar.

Bekijk het aanbod